|
Alanen
|
Het Nederlandse geslacht Marres, waarvan een tak haar naam Mares schrijft, stamt uit de Alanen, een Kazachstaans nomadenvolk, dat in de 1e eeuw n.c. rondzwierf in de Noord Kaukasus, zich later vestigde aan de Donau en in de vierde eeuw n.c., onder druk van de Hunnen, tijdens de Volksverhuizingen West-Europa introk; of het heeft hier een gezamenlijke afstamming mee.
Het wordt hier beschreven vanaf de eerste historische vermelding van stamvader Johan Marres, die zijn naam Moreez schreef , burger van Maastricht en landeigenaar in het Luikerland, toen deze een claim indiende voor schade geleden in de Luikse oorlog van 1407-1408.
De werkzaamheden vanaf de middeleeuwen in de lakenproductie en handel worden besproken, mede aan de hand van een charter van de Maastrichtse schepenbank De Vroenhof van 1523, dat vrijstelling van tol voor de handel in Brabant moet garanderen voor drie gebroeders Marees, waarvan één, Reyner, de eerste gemeenschappelijke stamvader is van beide takken van dit geslacht.
Een tak blijft nog gedurende een generatie in Heukelom gevestigd en keert dan tegen het einde van de zestiende eeuw terug naar Maastricht en gaat daar zijn naam steeds vaker als Marres schrijven. Een tak vestigt zich in Val-Meer (thans België) en zal zich later onder de naam Mares vestigen in het dorp Wolder bij Maastricht en later ook naar Maastricht gaan.
Vanaf 1641 zijn de leden van het geslacht Marres ononderbroken werkzaam in het Maastrichtse brouwersgilde in veertien verschillende brouwerijen tot het jaar 1959 toen de laatste brouwerij ophield te bestaan. De geschiedenis van al deze brouwerijen is een blijvend doel van onderzoek, waarvan de resultaten op de verschillende pagina's te vinden zijn. Ook de herstart, om didactische redenen, van een brouwerij te Dordrecht, wordt getoond.
In de negentiende eeuw breiden de werkzaamheden zich uit in andere industrieën zoals de zoutraffinaderij en later ook de steenfabricage.
Vanaf de zeventiende eeuw zijn meerderen leden van de familie actief in de Rooms-katholieke kerk als priester, kloosterling, kloosterprior, pastoor-deken, moraaltheoloog, hoogleraar priesteropleiding, kanunnik en geheim kamerheer van de paus. In de loop van de vorige eeuw begon de actieve deelname aan het kerkelijke leven geleidelijk te verminderen.
Van alle tijden zijn bestuurlijke activiteiten als schepen, schout, vroedschapslid, wethouder, burgemeester en statenlid, voorts wetenschappelijke activiteiten op academisch niveau, in de kunsten, vrije beroepen en in de diplomatieke dienst.
Beschreven worden de didactische bezigheden bij het middelbaar en hoger onderwijs als directeur van een stadscollege, rector van een gymnasium, als docenten en hoogleraren in meerdere academische disciplines. De beschrijving van de sportieve activiteiten is begonnen, die van de culturele verrichtingen moet nog volgen.
De genealogie Marres, een beschrijving van de tak Mares, en genealogieën van verwante geslachten zijn te vinden met de afbeeldingen van zegels en wapens.
De kwartierstaat van het echtpaar Marres-Pekelharing gaat beiderzijds legaal terug tot de brouwerspatroon Sint Arnoldus. Hierbij worden enige zijpaden betreden naar interessante feiten van direct verwante families.
Aandacht is geweid aan personen die meewerkten in hun fabrieken.
De soms zeer bijzondere archeologische vondsten gedaan bij verbouwingen van hun huizen in het historische stadsdeel van Maastricht worden beschreven.
Verantwoording wordt afgelegd in een noten-, bronnen- en litteratuurlijst.
|
Middeleeuwen
|