|
MARRES
|
|
|
KIES ANDERE BROUWERIJ |
|
|
BROUWERIJ MARRES ONZE LIEVE VROUWEPLEIN
|
|
De voorgeschiedenisDe Limmelots PoortDe brouwerij Eugène Marres op het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht was een brouwerij met een lange voorgeschiedenis. Het huis en de daarachterstaande brouwerij is ontstaan uit een drietal huizen met bijgebouwen waarvan de geschiedenis tot in de 16e eeuw teruggaat. Het huis met de langste geschiedenis en tevens ook het grootste huis heette oorspronkelijk De Limmelotspoort. Er was toen nog geen brouwerij in gevestigd. Het werd toen bewoond door een burgemeester. Later heette het naar een eigenaresse De Boutenspoort. Vanaf 1680 wordt het na de bouw van een brouwerij Het Sint Nicolaas Panhuijs genoemd en sinds 1825 de Brouwerij Marres. Dit voorhuis was een van de grootste uit de buurt. Van de stenen huizen in Maastricht waren de huizen met een poort de aanzienlijkste. De poort was bedoeld voor het rijtuig dat achter werd gestald. Sommigen van deze huizen, en dit huis behoorde daartoe, lagen vrijstaand op een erf. Aan de straatzijde lagen bijgebouwen en soms ook nog een muur. Het Stokstraatgebied telde drie van deze huizen. (50) |
De oude bronzen Poortklopper |
|
Na de afbraak van de Sint Nicolaaskerk in 1838 lag de poort niet langer in de plankstraat maar kwam aan het Onze Lieve Vrouwe Plein te liggen en kreeg huisnummer 5, het woonhuis kreeg nummer 4. Het gedeelte aan de Maaszijde van de poort bleef in de Plankstraat met nummer 20. De Families van Brecht, Grooteclaes, Boutens, van Tits en Heijdendael. De eerste maal vonden we het huis vermeld in 1570 als Lymeletzpoerte toen het bij de verkoop van het ernaast gelegen huis Het Hoeghuys als buur werd genoemd. (51) In 1597 verkoopt Joffer Marie van Brecht De Poerte van Limmeler aan Laurens Grooteclaes, burgemeester van Maastricht. (52) Het was waarschijnlijk een miskoop want in 1606 verkoopt hij het weer en wel aan Elisabeth Boutens waarbij de notaris opmerkt: Welck voirscreven huijs gelijck tselve ten tyde van de voirscrevene vercrijch zeer is geweest ruijneux, daernae bij den voirscreven heer borgemeester is bij zeeckere nijeuwe opgerichte timmeraige tot grooten cost vernyeuwt ende geedificeert. (53) Ondanks deze renovatie staat van de Limmelotspoorte in 1625 alleen de poort nog overeind met alleen een kelder daaronder. Een hypotheek van 200 gulden die er op rust wordt dan afgelost door Lieve van Tits namens Paulus Bouten, pastoor te Wachtendock, die na het overlijden van Elisabeth de eigenaar werd. (54) De Porte met de Twee HovenDe Familie Lenaerts In 1662 verkoopt de heer Leonard Heijdendael, voogd van Schoonvorst bij Aken en gehuwd met Margaretha de Tits voor 5150 gulden Die Porte met de twee hoven aan seigneur Lenert Lenaerts, burger en brouwer van Maastricht in tweede huwelijk met Anna Mortels. Het huis heeft dan twee uitgangen, een aan de Plankstraat, dit is de poort aan de voorzijde die later Onze Lieve Vrouweplein wordt en een aan de Havestraat. De nieuwe benaming betekent dat er een aangrenzend huis met ook een eigen tuin aan is toegevoegd. De poort komt nu tussen twee huizen in te liggen. Het huis richting Maas wordt het latere Panhuis, het huis richting Wolfstraat het woonhuis. De brouwerij komt in een aanbouw achter het woonhuis. Dit geheel had Leonard Heijdendaal als 'donatio inter vivos' van Paulus Bouten verkregen. Het is bij elkaar een groot geheel geworden en dat blijkt uit de beschijving van de ligging bij de aankoop. De buurman richting Maas is Pieter Haenen, richting Wolfstraat zijn er twee aangrenzende huizen, een is van korporaal Nicolaas Zwitser en het andere is het huis De Rode Hoed. Aan de achterkant grenst het geheel aan de tuin van de erven van Willem Nypels, aan het huis De Wolff en aan nog enige andere huizen. De tweede hof (tuin of cour) die aan de Havestraat ligt heeft als buren richting kerk weer Pieter Haenen en richting Smedenstraat de weduwe van Geurt Nypels.
De Boutens PoortIn 1669 gaat Lenart Lenaerts, burger en brouwer van Maastricht, gehuwd met Anna Mortels een lening aan van drie honderd gulden om zijn huis dat nu de Boutens Poorte wordt genoemd te verbouwen. Hierbij wordt nog vermeld dat Elisabeth Bouten vroeger in dit huis heeft gewoond en er in overleden is, dit moet dus een destijds bekende dame geweest zijn want zij was al bijna een halve eeuw daarvoor overleden. (56) Het Sint Nicolaes PanhuijsDe Familie Lenaerts Lenaert Lenaerts heeft rond 1670 de brouwerij gebouwd waarvan we in 1681 voor het eerst de naam horen Het Sint Nicolaes Panhuijs. (57) R. Philips schrijft in 'Mestreechs Aaijt' wel dat Het Sint Nicolaes Panhuis al in de 14e eeuw bestond en vermeldt het nog eens in de jaren 1544-1557, maar ik vind geen duidelijke aanwijzingen dat Het Vergudelen Panhuijs dat in 1372 in de Havestraat genoemd wordt een voorganger is. (58) Vóór 1686 is Lenaerts overleden. (59) Tegen het einde van de 17e eeuw is er één gebeurtenis waar een familielid toevallig getuige van was. Michiel Marres, een verre voorvader, was op 14 mei 1696 aanwezig bij een vechtpartij waarbij Willem Caris, door Guerdt Nijst op een avond het pand werd uitgeslagen onder toevoeging van enige hier niet te herhalen, maar wel notarieel vastgelegde krachttermen. Michiel en enige anderen legden op justitieel verzoek hierover een verklaring af. (60) De Familie Caris Isabella Lenaerts, dochter van Lenaert Lenaerts en gehuwd met Seigneur Louis Caris erft de brouwerij en op 30 juli 1708 koopt deze voor 900 gld van de heren van de consistorie van de Waalse kerk het buurhuis erbij dat tussen het St Nicolaes Panhuijs en De Rode Hoed ligt. In dit huis had vroeger korporaal Zwitser gewoond en zijn kinderloze weduwe had het in 1686 aan de diaconie van de Waalse kerk geschonken. (61) Het buurhuis De Rode hoed vaak ook Het Rode Hoedje genoemd, nu Oze Lieve Vrouweplein 3, was ook een brouwerij. In 1652 werd het gehuurd door de brouwer Lambert Watelet. In 1705 is zijn inventaris een 'panhuis, brouwketel, kuipen en koelschip' en is de brouwer Jan Boimans. In 1713 is het huis aangekocht door Hubert Bovy die de brouwerij omzette in een branderij (62). Zijn erven verkochten het huis in 1746 aan Joannes Houtappel gehuwd met Agnes Hanssen, ook zij waren distillateurs. Hun zoon Lambert Houtappel begon hierin tezamen met de uit Frankrijk afkomstige Joseph Binvignat een orgelbouwerij. Joseph Binvignat zette later deze zaak alleen voort nadat hij het huis in 1796 had gekocht. Daarna werkte diens zoon Adam Matthijs Binvignat er tot 1850 als orgelbouwer en later pianomaker. |
|
De Familie Paulussen. Na het overlijden van Isabelea Lenaerts brengt Sieur Joannes Paulussen, gehuwd met Judith Daemen op 9 november 1730 op een veiling waar de kinderen Lenaerts het huis te koop aanbieden het hoogste bod uit op, zoals de omschrijving luidt: 'seeker Huijs, Brouwerije, Stalling, Hoff, Clotsbaen, met de geregtigheijd van den ganck uijt komende op de Haeffstraet, en verdere ap- en dependentien en geregtigheden vandien gestaen en gelegen alhier in de Planckstraat genaemt St Nicolaes Panhuijs'. Hij brouwt daar tot zijn dood in 1745. Zijn weduwe Judith Daemen zet de brouwerij daarna, en nog wel gedurende twintig jaar, zelfstandig voort. (63) Jan Paulissen hoort in de jaren 1736-1737 tot de kleinere Maastrichtse brouwers. (64) In 1765 laat Judith Daemen bij haar overlijden aan haar twee dochters ieder een bierbrouwerij na. Het St. Nicolaes Panhuijs gaat naar Margaretha Paulussen, die gehuwd is met Nicolaas Nypels. De andere brouwerij, Het Nieuwe Stenen Huis, op de St. Pieterstraat gaat naar Cornelia Paulussen, gehuwd met Servaes Marres. (65) |
Het Sint Nicolaes Panhuijs in 1750 Meer afbeeldingen, ook van het Pannenhuis in Biesland zijn te zien op de maquette van Maastricht. |
|
De Familie Nypels. Nicolaas Nypels verkrijgt Het Sint Nicolaes Panhuijs dus in 1765 en ook hij zal daar gedurende zijn hele leven brouwen, dat is tot 1805. Hij wordt dan opgevolgd door zijn zoon Jan Pieter Nypels. |
|
|
Deze begint met grootse bouwplannen en schakelt zijn oom de stadsbouwmeester Matthias Soiron hiervoor in. (66) In het Standaardwerk dat uitvoerig de geschiedenis en renovatie van het Stokstraatgebied beschrijft die in het derde kwart van de vorige eeuw te Maastricht plaats vond, merkt de oud-directeur Rijksmonumentenzorg hierover op: 'In de schetsboeken van Soiron bevinden zich een drietal schetsen voor een verbouwing ten behoeve van 'neef Nijpels' in de Plankstraat. Deze hebben betrekking op het Sint Nicolaas Panhuis. Van het woonhuis werd een winkel gemaakt door het wegbreken van een gangmuur. Daarbij behoorde een ontwerp een nieuwe glazen wand naar de achterkamer.
|
|
M. Soiron, schetsen voor een verbouwing voor 'neef Nypels' in de Plankstraat (1806). (67a) Het resultaat van deze tekeningen is niet bekend. Door de latere verbouwingen aan het einde van die eeuw is de situatie weer geheel veranderd. Maar het is duidelijk dat waar in de onderste tekening Groten zaal staat zich thans het huidige Klaoske bevindt. De poort met zijn overdekte doorgang staat links aangegeven en de plaats van de openbare pomp aan de straat geheel rechts. De eerste tekening betreft het woonhuis dat aan de andere kant van de poort stond en dat in 1878 tezamen met nog een ander huis plaats moest maken voor het woonhuis dat Eugène Marres in 1878 liet bouwen. Jan Pieter Nypels brouwt gedurende twintig jaar in dit vergootte pand en verkoopt het in 1825 aan het verloofde stel Michaël Marres en Anna Maria Bemelmans. De brouwerij draagt dan geen naam meer. * |
Michaël Marres, vanaf 1848 M. Marres Vader
|
|
|
Brouwers: Michaël Marres (1797-1865) brouwer van 1826 tot 1865 Eugène I Marres (1847-1922) brouwer van 1865 tot 1905 Eugène II Marres (1875-1930) brouwer van 1905 tot 1930 Eugène III Marres (1905-1993) brouwer van 1930 tot 1946 |
Koperen uithangbord bierbrouwerij M. Marres Vader Het hing tot 1961 naast de poort |
|
Michaël Marres en Anna Maria Bemelmans kopen de brouwerij Op 31 mei 1825 van Jan Pieter Nypels. (68) Deze bierbrouwerij zal de moeder worden van alle brouwerijen Marres die de vorige twee eeuwen in Maastricht hebben bestaan. Aanvankelijk heet deze brouwerij naar Michaël Marres, de eerste brouwer Marres in deze brouwerij. Van dit echtpaar stammen alle Nederlandse leden van het geslacht Marres af. Michaël is geboren in Biesland in het Jekerdal buiten Maastricht. Zijn vader heeft daar de bierbrouwerij Het Pannenhuis. Anna Maria is de dochter van Leonardus Bemelmans, brouwer en distillateur in de Tafelstraat. Zijn brouwerspenning wordt in het gemeentemuseum van Maastricht bewaard. (69) Beiden worden ze, ieder voor de helft, eigenaar en ze trouwen een half jaar later. Het complex wordt in de transportacte omschreven als 'een schoon en groot huis met steenweg, tuin, brouwerij, branderij, stalling en verdere aanhorige gebouwen, gelegen te Maastricht in de Plankstraat en hebbende eenen uitgang in de Havestraat, reinende het alle eene zijde de heer Binvignac (70) en andere zijde de heer Fermijn en de goederen van de Sint Nicolaaskerk'. Het ligt in de Plankstraat tegenover de Sint Nicolaaskerk. De kerk is in 1838 afgebroken en sindsdien is hoofdingang aan het Onze Lieve Vrouweplein. |
|
Michaël Marres, vader, begint in deze brouwerij in 1825 te brouwen en wordt op het einde van zijn leven in Maastricht Le roy des brasseurs genoemd. Veel brouwers zijn door hem opgeleid. (71) Hij heeft 12 zonen, waarvan negen volwassen worden. Twee daarvan worden priester. De oudste zoon, Pierre Marres wordt hoogleraar in de moraaltheologie en docent op het grootseminarie priesteropleiding in Roermond en schrijft een latijns commentaar op het toenmalig burgerlijk wetboek. (72) Charles Marres wordt deken van Venlo. Jean Marres wordt leraar klassieke talen en rector van het stedelijk gymnasium van Maastricht. Joseph Marres start de Zoutziederij Marres. De overige vijf zonen worden brouwer.
August Marres, gehuwd met Hélène Ceulen, start een brouwerij op de Capucijnenstraat. |
Michaël Marres, 1797 - 1865 |
|
Louis Marres huwde Christine Gilissen en begint een brouwerij op de markt op de hoek van de Heilige Geeststraat. Jacques Marres wordt in 1886 directeur van brouwerij De Ridder. Hij volgt daar zijn overleden zwager Léon van Aubel op, die gehuwd was met zijn zus Sophie Marres. Hun zoontje Léon is dan pas 12 jaar. In 1902 neemt Léon jr. na het overlijden van Jacques de leiding op zich. * |
Eugène Marres
|
|
|
Eugène I Marres, de jongste zoon, geboren in 1847 neemt de brouwerij over nadat al zijn broers en zusters het huis verlaten hebben. In 1873 kopen hij en zijn verloofde Rosalie Roebroeck, op dezelfde wijze als zijn vader en moeder dat een halve eeuw eerder deden, ieder de helft van de brouwerij en gezamenlijk worden zij eigenaar. Het officiële adres is nog steeds Plankstraat 2916-2917, hoewel de Sint Nicolaaskerk al 35 jaar daarvoor is afgebroken. Eugène brouwt meerdere soorten bier, waaronder een nieuw bier dat gedurende twee jaar in houten vaten nagiste in grote vaten, het zeer bekend geworden Marres Oud bier. Dit nagisten heette 'lageren'. Op het einde daarvan werd het met vers bier versneden en kreeg het zijn frisse rinse wijnachtige smaak. Hij bouwt in 1886 in de Havestraat in een nieuwe rooilijn een hoge achtergevel en aansluitend tot aan de Plankstraat een woonblok van vier verdiepingen. Het jaar daarop verbouwt hij de fabriek die uitgerust wordt met een Engelse stoommachine. Er komen nieuwe bierkelders onder de huizen en tuinen van de Havestraat en aan beide zijden van de Plankstraat, waarbij de huisnummers 7 en 9 en aan de overkant 10 en 12 tot grotere woningen worden samengevoegd en de kelders onderling en ook met de brouwerijkelders worden verbonden voor de groeiende behoefte aan bieropslag c.q. de lagering van Oud bier dat twee jaar moet rijpen. (73) In een van deze huizen was vroeger Brouwerij De Plank gevestigd, al vermeld in het jaar 1674. Hier staat nu restaurant Het Plenkske. Op de plaats van het vroegere Sint Nicolaas Panhuis komt een gelagkamer. Na twee eeuwen is thans de oude naam, zij het in een dialectisch diminutieve vorm herrezen in restaurant 't Kläöske. In 1894 verbouwd hij het woonhuis op het plein. Het krijgt dan zijn huidige gevel. (74) Bij deze graafactiviteiten worden enige interessante archeologische vondsten gedaan, die afzonderlijk worden besproken. Eugène I is in 1908 medeoprichter van de Stichting Pro Infantibus te Maastricht. Doel is de hoge kindersterfte in Maastricht te bestrijden. De Stichting richt hiervoor een melkfabriek op en in 1913 ook een zuigelingencrèche, de Crèche Juliana. Maastricht heeft hierdoor een van eerste zuigelingencrèches in Nederland. Vanaf 1927 wordt deze crèche ook medisch begeleid. (75) |
Eugène I Marres, 1847 - 1922
Huis en brouwerijpoort
Thans is hier gevestigd de kunsthandel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Brouwerijpoort en gelagkamer - thans restaurant 't Kläöske |
|||||||
|
Evenals zijn vader heeft hij een kinderrijk gezin. Negen kinderen worden volwassen.
Hier volgen enige foto's van het Personeel. Meer foto's staan op Leven in de brouwerij.
Personeelsleden van de bierbrouwerij Eugène Marres omstreeks 1918. |
Groepsfoto omstreeks 1918Van links naar rechts:
Achter allen en nauwelijks zichtbaar is de brouwerskar. Rechts: Verzorger van de biervaten
|
|
Romance tussen twee personeelsleden op de Brouwerij (77a) |
|
A.M.H. Hochstenbach |
Klara Jækel- dienstmeisje |
A.M.H. (Bèr) Hochstenbach - december 1931 |
|
Eugène II, die gehuwd is met Constance Houtappel, erft in 1922 de bierbrouwerij waarover hij al sinds 1905 de leiding heeft. Hij is behalve brouwer ook op maatschappelijk actief. Hij wordt zoals veel mannelijke en vrouwelijke familieleden bestuurslid van de stichting "Pro infantibus" opvang voor hulpbehoevende moeders en kinderen, die voor de onkosten van hun zorgvereniging een coöp. melkfabriek exploiteren. In 1928 wordt hij voorzitter van de Stichting. In de Nederlandse Brouwersbond is hij ook Actief. Hij leidt in 1930 als voorzitter de jaarvergadering die dan in Maastricht gehouden woedt. Zijn zoon Eugène is dan secretaris. Verder is hij bestuurslid van de Maasvereniging te Limburg, opgericht om de maashandel te stimuleren. Eugène vindt in een brandkast een oude gildepenning met het jaartal 1757 en de naam Servatius Marres daarin gegraveerd en hij concludeert daaruit dat de familie sinds dat jaar bierbrouwer geweest moet zijn. Hij vermeldt dit jaartal als stichtingsdatum op zijn briefpapier. Dat later historisch onderzoek uitwees dat de familie al een eeuw eerder in het brouwersvak actief was bleek een verrassing. |
|
|
Toen bleek ook dat Servatius Marres geen voorvader was, maar een neef van een voorvader en dat de penning bij de aankoop van het huis in 1825 in de familie zal zijn teruggekeerd. De grootvader van de verkoper Jan Pieter Nypels was, zoals hierboven is beschreven een zwager van Servaes Marres. Wanneer Eugène II Marres in 1930 plotseling overlijdt moet snel een opvolger gevonden. De oudste zoon Willy Marres komt niet in aanmerking. Hij studeert kunstgeschiedenis aan de Akense Hogeschool. De meest aangewezen persoon is zijn tweede zoon Eugène jr. Eugène III Marres moet daarvoor zijn stage bij een brouwerij in Duitsland voortijdig beëindigen en neemt de leiding op zich van de fabriek, bestaande uit bierbrouwerij, mouterij en 21 cafés in Maastricht, Amby, St. Pieter, Meerssen en Susteren. |
|
Hij was ditzelfde jaar al opgetreden als secretaris voor zijn vader tijdens de jaarvergadering van de Nederlandsche Brouwersbond en neemt de leiding op zich van de fabriek, bestaande uit bierbrouwerij, mouterij en 21 cafés in Maastricht, Amby, St. Pieter, Meerssen en Susteren. Evenals zijn vader is hij actief bestuurslid van de Nederlandse Brouwersbond die in 1939 fuseert met de Bond van Nederlandse Brouwerijen onder de nieuwe naam Centraal Brouwerij Kantoor (CBK), destijds gevestigd te Amsterdam thans te 's-Gravenhage. (79) Hij is medeoprichter en bestuurslid van het Nacobrouw te Amsterdam, opgericht in 1934 door overheid en bedrijfsleven ter bevordering van de teelt van voor het brouwerijbedrijf geschikte gerst en het bevorderen van gebruik daarvan. (80) Ook is hij lid van de Brouwgerst-Import-commissie (B.I.C.) een subcommissie, die in samenwerking met de Nederlandse Akkerbouwcentrale, import en verdeling controleert van al het gerst en mout dat voor de Nederlandse bierbrouwerijen bestemd is. Dit waren toen schaarse grondstoffen. (81) |
Nieuwe Brouwketels |
Briefhoofd van bierbrouwerij Eugène Marres te Maastricht |
|
Eugène III neemt in 1938 het geheel in eigendom over en moderniseert de fabriek door nieuwe brouwketels te plaatsen. Uitbreiden kan echter niet wegens de centrale ligging in de stad, maar door woekeren met de ruimte kan er op deze beperkte ruimte nog een mouterij en een fabriek voor kristalijs geplaatst worden. Het aantal cafés groeit van 21 naar 36. In de oorlog wordt de bierbrouwerij aan veel beperkingen onderworpen, maar komt toch ongeschonden de oorlog door wegens het ontbreken van concurrentie van de grote Nederlandse en buitenlandse brouwerijen, al ontkwam het huis en de brouwerij op het nippertje aan een bominslag. Na de oorlog wordt afgezien van grote investeringen om de bierbrouwerij te moderniseren en wordt een contract met Brand aangegaan waardoor deze de strijd wel aan kan gaan. In 1946 wordt de overeenkomst gesloten waarbij de brouwersrechten en verkoopfaciliteiten aan de brouwerij van Brand te Wylre zijn overgedaan. De fabrieksgebouwen zijn in 1979 afgebroken om plaats te maken voor een appartementencomplex.
|
Eugène III Marres 1905 - 1993
|
|
Eugène III krijgt in 1982 tijdens een feestelijke bijeenkomst in de voormalige brouwerij Bosch, die overigens nog geheel intact is, door dr. R. Philips, directeur van het Sociaal-Historisch Centrum van Maastricht het eerste exemplaar aangeboden van het boekje Mestreechs Aaijt, Geschiedenis van de Maastrichtse brouwers en hun bier, een uitgave in de Historische Reeks Maastricht van de hand van de directeur van het centrum. Dit werk beschrijft de geschiedenis van de Maastrichtse brouwers en hun bier. De brouwerijen Marres krijgen ruim aandacht, mede doordat er voor dit werk veel historisch materiaal ter beschikking is gesteld. De brouwerspenning van Servatius Marres uit 1757 siert de omslag. |
Drie generaties: Evert, Boed (Eugène IV) |
|
Na een vier en vijftigjarige goede samenwerking is de door beide partijen zeer gewaardeerde relatie tussen Eugene III, later zijn zoon Eugène IV alias Boed Marres, en de firma Brand beëindigd. Met enige weemoed werd deze samenwerking op 3 oktober 2000 feestelijk afgesloten. Kort daarop eindigde het zelfstandig bestaan van de bierbrouwerij Brand als gevolg van de overname door Heineken. |
Herinnering aan 54 jaar geslaagde samenwerking Brand - Marres, 1946 - 2000 |
|
Een uitvoerige verhandeling over Zuid-Nederlandse bieren, waarin ook uitgeweid wordt over Maastrichtse bieren is te lezen, althans voor degenen die het oude Latijn beheersen, bij J.B. Vrancken, Responsum ad quaestionem ab ordine mathematicorum et physicorum pro positam: Exponatur Cervicias ... parari possunt ?
Marres bier had een alcoholpercentage van ongeveer 4%. Er was jong bier, dat enige maanden werd gelagerd, en oud bier dat een jaar bleef liggen. Oud Bier werd versneden met bier dat onverkocht terugkwam. Dit was soms "omgegaan", maar dat was niet bezwaarlijk. Oud bier was helder maar werd op verzoek van sommige caféhouders enigszins
donker gekleurd door caramel. Het was rins van smaak. Het was zeer in zwang. Gezoet bier was er niet.
|
|
In het brouwerijarchief van de brouwerij Eugène Marres bevinden zich reglementen betreffende het productieproces, brouwrecepten en recepten voor de likeurstokerij. Deze staan op de gesloten afdeling van deze webstek en zijn voor belangstellenden eventueel in te zien en over het gebruik ervan kan gesproken worden. Ook zijn er enige documenten betreffende de bierproductie te Maastricht in de 19e en de eerste helft van de twintigste eeuw. Hieruit blijkt duidelijk de noodtoestand waarin de Nederlandse brouwerijen zich in de crisisjaren bevonden. |
Het oude Grootboek. |
|
Tevens zijn er enkele documenten afkomstig van 'De Nederlandse Brouwersbond' een voorloper van het Centraal Brouwerijkantoor, het CBK. Van deze bond is geen archief bewaard gebleven, en dit zijn ook maar schamele resten. Eugène J.H. Marres en zijn zoon Eugène P.E.J. Marres waren hiervan in de eerste helft van de vorige eeuw bestuursleden. De brouwerij is opgeheven op 1 augustus 1946. Zij was gedurende 275 jaar actief – van 1670 tot 1946. |
|
Koperen Olielamp Lichtbron in de bierkelders,
|
Koperen Bieremmer Gebruikt voor het afvullen van de biervaten met vislijm,
|
Koperen Zeef Gebruikt voor de toevoeging van vislijm als klaringsmiddel,
|
IJzeren Kuipershamer Deze hamer wordt in de hand gehouden door de kuiper op de personeelsfoto hierboven - 19e en 20e eeuw
|
|
|
|
|
|
|
|
Beugelflesdoppen |
||
Bierbeurs met Marres bier te Roermond omstreeks 1935 |
||
lofzang op Marres bier |
Prijslijst Marres bier |
|
|
N.B.: Klik op deze laatste plaatjes om de tekst te lezen. |
||