Lakenscheerders
|
Charter
|
Koopmansechtpaar in Lübeck omstreeks 1530 |
InleidingDit charter is uitgegeven aan de gebroeders Jan Marres, Reyner Marres en Matthijs Marres van Heukelom om hun koophandel vrijelijk te kunnen uitoefenen zonder lastig gevallen te worden door de vele belastingaarders in het Hertogdom Brabant. Als burgers van het tweeherige Maastricht waren zij onderdanen van zowel de Prins-bisschop van Luik als de hertog van Brabant. En als onderdanen van de hertog waren zij vrijgesteld voor belastingbetalingen in het hertogdom. Dit document diende ervoor dit aan te tonen, het was als het ware een vrijwaringsbewijs. Voor de gebroeders Marres was dit een belangrijk document dat zij zorgvuldig bewaard zullen hebben. We staan echter voor het raadsel waarom dit na hun dood nog gedurende bijna vijf eeuwen gebeurd is en daarbij met zo veel zorg dat het zich in een uitstekende conditie bevindt. Een raadsel is ook waar en door wie het is bewaard. Wij ontdekten het eind vorige eeuw in wat toen nog het Rijksarchief in de provincie Limburg heette maar tegenwoordig het Regionaal Historisch Cemtrum voor Limburg is. Navraag bij de archivaris bracht geen duidelijkheid. Hij had geen idee van de herkomst. Het wordt bewaard onder de naam archief van de famile Marees, naar de schrijfwijze van de namen. Over zijn omzwervingen kunnen we slechts speculeren. (1) |
Het charter
|
De oorspronkelijke tekst |
|
Wier scoutet ende scepenen shoofs van lenculen geheiten vroenhoff toebehoerende onssen heer den keyser als hartoech van brabant met namen claes daems scoutet johan van eynatten claes daems voerss arnt van bunde herman van overbunde frans scaert jan clut ende arnt theus scepenen doen cont ende certificeeren allen amptluyden richteren scoutitten scepenen burgemeesteren rentmeesteren tolleneren ondersaten ende allen anderen geseten onder eynigen van den landen ons voerss genedigen heeren dien dat aengaen mach dat deese navolgen personen met namen thys marees jan marees ende reyner marees van hoekelom alle ondersaten vanden voerss vroenhoff onder onss voerss genedigen heer geseten geguet ende geerft ende syn coupluyde van veele diverse comenscapen ouch in diversen landen hanterende ende honne comenscapen doende ende om dan franck ende vry te wandelen inden landen van onss genedigen heer soe begeeren wyr scoutet ende scepenen ons voerss genedichsten heeren aen allen heeren ende vorsten ende vort aen allen iusticieeren amptluyden gerichten tolleneren dat sy die voerss persoenen als ondersaten des hartoechdoms van brabant met honnen comenscapen laten vry wandelen keeren passeeren ende verkeeren te water ende te lande by daege ende ouch by nacht los ende vry sonder eynigen tolle oft ongelt vanden selven te nemen in eyniger manieren volgende der vriheit die dat lant van brabant ende ondersaten desselven lants daer van hebben ende gebruyken ende gebruyct hebben over voel jaeren op dat den selven onssen ondersaten egeene noode en sy dat voirder te claegen ten onderhouden vander voerss vriheit daer van dat sy in vrederlyker possessien ende gebruyck syn geweest ende noch huyden by daege syn soe wyr verstaen in orconden der waerheyt soe hebben wyr scoutet ende scepenen voerss inden meesten getaele van ons ende voer die andere onsse siegelen hyr onder aen gehangen gegheven int jaer ons heeren duysent vyffhondert seesendetwintich den achden tach van augusto |
Hertaalde tekst |
|
Wij schout en schepenen van de hof van Lenculen, genaamd De Vroenhof, toebehorend aan onze heer de Keiser als Hertog van Brabant, met name Claes Daems, schout, Johan van Eynatten, Claes Daems voornoemd, Arnt van Bunde, Herman van Overbunde, Frans Scaert, Jan Clut en Arnt Theus, schepenen, maken bekend en stellen vast voor alle ambtenaren, rechters, schouten, schepenen, burgemeesters, rentmeesters, tollenaars, bewoners en allen die gevestigd zijn in een van de landen van onze voornoemde genadige heer, aan wie dat mag aangaan, dat deze navolgende personen met name Thijs Marres, Jan Marres en Reijner Marres van Heukelom, allen ingezetenen van de voornoemde Vroenhof onder onze voornoemde genadige heer, gezeten, gegoed en geërfd zijn en kooplieden in velerlei handelswaar en ook in verschillende landen hun handel drijven en doen, en om dan frank en vrij te reizen in de landen van onze genadige heer, zo verlangen wij, schout en schepenen van onze genadige heer, van alle heren en vorsten en voorts van alle justiciële- en belastingambtenaren, dat zij de hierboven genoemde personen als onderdanen van het hertogdom Brabant met hun koopwaren geheel vrij laten reizen, gaan, staan en verblijven te water en te land, bij dag en bij nacht zonder betaling van enige tol, belasting of accijns van hun te innen op welke wijze dan ook, volgens de vrijheid die het land van Brabant en haar onderdanen daarvan hebben en gehad hebben zoals dat sinds jaar en dag gebruikelijk is en datzelfde voor onze ingezetenen en dat zij niet eerst moeten klagen om de vrijheid te krijgen die zij altijd al gewoon zijn te hebben en gebruikt hebben en nog steeds gebruiken, zoals wij lezen in eerdere oorkonden. Zo hebben wij schout en schepenen voornoemd met hoge opkomst aanwezig onze zegels en die van de overigen, hier onder aangehangen. Gegeven in het jaar vijftien honderd zes en twintig de achtste augustus. |
|
|
|