GENEESKUNDE |
De eerste medicus practicus Marres |
|
|
Nicolaas Marres, 1744-1801, is de eerste geneeskundige in de familie. Hij is meester chirurgijn en woont in 'Het Vergulde Spoor' in de Eindspoorstraat te Breda. Hij wordt benoemd tot stadschirurgijn en stadsvroedmeester van Breda.
In 1796 schrijft hij in op het medische boekwerk 'Systeem van Heelkunde' van Benjamin Bell. Zijn naam komt voor in de lijst van intekenaars (bevoorderaars), die in dit werk is opgenomen. Nicolaas is een zoon van de koopman in zout, bier en gedistilleerd, Lambert Marres, afkomstig van Maastricht en hij is een kleinzoon van Servatius Marres brouwer aldaar op de Bisschopskommel.
|
Benjamin Bell |
De apotheker Marres |
|
Franciscus Ludovicus Marres, 1797-1865, een van de vier zonen van Bartholomeus Servatius Marres, brouwer in
De Blauwe hond achter het Vleeshuis, aanvaard in 1822 het ambt van opper-apotheker bij het nieuw te bouwen Burgerziekenhuis te Maastricht. Dit zal later ziekenhuis Calvarieberg worden genoemd. Hij is dan tevens belast met de zorg voor de overige godshuizen en de huiszittende armen en gaat wonen in de ambtswoning naast het ziekenhuis in de Abtstraat. (2)
|
De eerste van de zes KNO-artsen Marres |
|
A.A.J.H (Thuur) Marres is in 1884 geboren op het Onze Lieve Vrouweplein te Maastricht waar zijn vader Eugène Marres brouwer is. Hij volgt, zoals in die tijd in de familie gebruikelijk is, het gymnasium op de kostschool Rolduc. In 1904 gaat hij in Amsterdam medicijnen studeren en wordt lid van het Amsterdams studenten corps, waar hij in zijn vierde jaar, als assessor II, senator van wordt. Hier is hij in 1905 medeoprichter en het jaar daarop praeses van het dispuut HERA. Hij is actief roeier en reeds in zijn studententijd coach van ASR Nereus. |
Thuur Marres op de Operatiekamer van het OLVG te Amsterdam in 1915 Zie de twee operatietafels waarop gewerkt wordt in één ruimte. |
|
Thuur Marres haalt zijn artsxamen in 1914 en wordt assistent van Prof. Burger in het Binnengasthuis in Amsterdam. Hij moet in die tijd ook al in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis gewerkt hebben, gezien de foto hierboven, waaronder hijzelf het jaartal 1915 heeft geschreven, maar waar te veel nonnetjes aanwezig zijn voor een algemeen ziekenhuis. In het gedenkboek van het OLVG staat deze foto ook. Arthuur wordt in het OLVG in 1920 hoofd van de KNO-poli en heeft daarnaast een privé praktijk aan huis op de Weteringschans, later is dat op de Willemsparkweg. Hij blijft praktiseren tot eind 1947. In het gedenkboek, verschenen bij het honderdjarig bestaan van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam in 1998, staat dat sommigen zich Thuur herinneren als een gemoedelijke zuiderling met een charmant accent, maar dat anderen hem hebben ervaren als een rauwdouwer. Onder zijn beleid stijgt het aantal jaarlijkse operaties van dertig tot boven de vierhonderd. Zijn assistent is vanaf eind 1930 A.J.H. (Ansko) Dokkum, die na de tweede oorlog assistentie krijgt P.E.J.M. (Paul) Marres, zoon van de zoutzieder Joseph Marres. Dokkum werd na Thuur Marres hoofd van de afdeling KNO. Het is overigens opmerkelijk, merkt de schrijver van het gedenkboek op, dat Marres Sr per se geen katholieke assistent wilde en daarom de niet-katholieke Dokkum in het OLVG kon komen. Thuur Marres wordt na het neerleggen van zijn functie in 1947 gevraagd deel uit te maken van het college van regenten van de R.K. Ziekenverpleging. Maar pas in 1951 stemt hij daarin toe nadat de directeur en enige regenten, die zich in de oorlog 'zwak' hadden gedragen, uit hun functie waren verwijderd en waarmee hij niet samen aan een tafel wenste te zitten. (4) Thuur Marres is voorts curator van de Academie voor Lichamelijke opvoeding te Amsterdam en commissaris van Nederlands Sportpark n.v.. Hij is coach van de Amsterdamse studenten roeivereniging Nereus en voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Roeibond en wordt erevoorzitter van Nereus. Zijn bezigheden op sportgebied, met name het roeien, zijn beschreven op de pagina sport. |
|
De tweede KNO-arts in de familie wordt in 1928 Henri Marres, zoon van de brouwer Edmond Marres van de Capucijnenstraat. Hij verzorgt twee steden, Venlo en Roermond, en heeft de zorg over een gezin van negen kinderen. Vlak na de oorlog komt hij om bij een autoongeluk op weg naar huis na een drukke dag in Roermond, 46 jaar jong. Zijn zoon en zijn kleinzoon zullen hem later als KNO-arts opvolgen, en beiden worden hoogleraar. Zijn zoon Ed Marres wordt hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Limburg, hoofd van de afdeling keel- neus- oorheelkunde van het Academisch Ziekenhuis te Maastricht. Diens zoon Henri Marres, in al zijn voornamen naar zijn grootvader vernoemd, wordt hoogleraar Keel-, Neus- en Oorheelkunde, in het bijzonder de Hoofd-Hals oncologie, in de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Radboud Universiteit te Nijmegen. |
H.A.M. Marres, KNO-arts
|
|
|
Uit een andere tak van de familie is Paul Marres, die evenals Arthuur Marres in het O.L. Vrouwe Gasthuis in Amsterdam zal werken. Eugène (Boed Sr) Marres tenslotte wordt KNO-arts in Oost-Brabant. Ook in andere medische specialismen en op paramedische gebieden worden leden van de familie actief zoals huisarts, psychiater, psychotherapeut, fysiotherapeut-gipsmeester, arts ouderengeneeskunde en orthopaedagoog. |
||
|
* |
De huidige drie KNO-artsen Marres.
Midden: Prof. dr. Ed Marres, (Foto genomen op het KNO-eeuwfeest in 1993) |
|
|