Tondeurs de drap

Lakenscheerders
omstreeks 1750

DE FAMILIE

MARRES   /   MARES

Op het eind van de Middeleeuwen

Gezegeld charter uit 1526

Charter Marres
Anno 1526

Lakenindustrie en Handel

De lakenfabrikage in Maastricht dateert van diep in de middeleeuwen. De eerste vermelding is uit 1133 in de Kroniek van Sint Truiden (1). In 1276 worden er in Maastricht lakenwevers­voorschriften uitgevaardigd.
De bloeiende industrie voorziet niet alleen in lokale behoeften, maar is voor een groot deel bestemd voor de export, vooral via markten in Frankfurt, Bergen op Zoom en Antwerpen.

In de hoogtijdagen van het Karolingische tijdvak zijn er al sporen in Maastricht van een bloeiende kooplieden gemeenschap. Midden in de twaalfde eeuw worden handelaren uit Maastricht vermeld op de jaarmarkten van Centraal en Oost Europa in Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, de Slavische gebieden tot in de Oekraïne. Leden van het Maastrichtse koopmansgilde De Schoense Verderen varen vanaf de dertiende eeuw op het eiland Schonen onder Zweden en exporteren lakens in ruil voor huiden en vis (2).

De eerste vermeldingen van het geslacht Marres / Mares dateren uit deze tijd, zij zijn werkzaam in de hierboven genoemde bedrijfstakken.

De Droogscheerder,
Uit: Jan Luijken, Het Menselijck Bedrijf. Bibliotheek Rijksmuseum Amsterdam.

Jan Luijken, de Droogscheerder,
Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Lakenververs aan het werk.
Encyclopédie Diderot et d'Alembert, Paris 1751,
Les Techniques Traditionelles: Les Textiles, Teinture des Gobelins.

Lakenververs aan het werk. Encyclopédie Diderot et d'Alembert, Paris 1751,
Les Techniques Traditionelles: Les Textiles, Teinture des Gobelins.

De oudste vermeldingen

De oudste vermeldingen van leden van dit geslacht komen uit het begin van de 15e eeuw. De namen zullen hier geschreven worden zoals die bij de betreffende persoon het meest aangetroffen wordt. Na de splitsing van de familie in twee takken, wordt de schrijfwijze, ongeacht de gevonden vorm, afhankelijk van de tak: Marres of Mares.

Paul Moraes wordt in de jaren 1416, 1421 en 1423 benoemd tot gouverneur, regerend meester, van de lakenscheerders die ook wel droogscheerders werden genoemd. De vaklieden van dit ambacht verwerkten het basismateriaal van plaatselijk gewonnen en geïmporteerde wol tot het fijne Maastrichtse laken. In 1416 is hij ook gouverneur van de lakenververs. (3) Hij woonde in de Guylkemanstraat te Maastricht en stierf in of kort voor 1429. (4)

De stamvader van dit geslacht Johan Moreez is een tijdgenoot van Paul Moraes, mogelijk een broer of neef. In 1408 wordt Johan Moreez voor de eerste maal vermeld als burger van Maastricht. Reden hiervoor is het feit dat de stad in 1407 en 1408 aangevallen is door troepen van een Luikse stedenbond die de elect-bisschop Jan van Beieren van de troon vervallen hadden verklaard. Deze had toen zijn toevlucht in Maastricht gezocht, de enige hem trouw gebleven stad. Met succes heeft de stad zich toen tezamen met de troepen van Jan van Beieren verdedigd en de tegenstander bij Othée verpletterend verslagen. Johan Moreez declareert zijn bij de gevechten opgelopen schade. Op de stedelijke schadelijst staat deze getaxeerd op het equivalent van circa 10 hectoliter rogge. (5)

Eerste vermelding van het geslacht Marres in Maastricht in 1408

De eerste vermelding van een lid van het geslacht Marres / Mares in Maastricht in 1408

Johan Moreez is in het bezit van landerijen gelegen bij Maastricht (6), Heukelom (7) en Sussen (8). Heukelom ligt in het graafschap de Vroenhof, dat bij Maastricht behoort, een uur gaans in zuidwestelijke richting, Sichen ligt enige mijlen verder in het Luikerland. Deze landerijen zullen eeuwenlang in de familie blijven. Hun huis, een hoeve of hof, staat midden in het dorp en ligt naast de hof van de heren van Heukelom, de heren van Eynatten (9), in het midden van de 15e eeuw was dat Théobald, die de heerlijkheid geërfd had van zijn echtgenote Catharina van Mulken en daarna diens zoon Herman en vervolgens gedurende het midden van de 15e eeuw zijn zoon Lodewijk. De leden van dit geslacht worden in de 15e en 16e eeuw vaak als Marees van Heukelom aangeduid, naar hun woonplaats dus, hun werkzaamheden lagen in de stad.

Van Johans zoon Reijner Morees is een zakelijk conflict bekend dat hij met twee medestanders had met een zekere Peter Nijx. In 1445 wordt hierover een geding gehouden voor het hoofdgerecht van de Vroenhof, blijkens het volgende verslag. (10)

RHCL te Maastricht, Schepenbank van het Hooggerecht van den Vroenhof te Maastricht. nr. 6692, fol. 18v, Voechgeding 22 juni 1445

Transcriptie:

                  audire veritatem
Peter Nijx op eijne siede contra Reijnken Morees Huijklen Wouter
sen van Hoekelem ende Leijnsken Mersmansen audire veritatem
inter ipsos ende die drie hebben in gedinckt honnen allegacie ofte honnen
meer were met sij hebben afgedinckt alle konde werheit et
en weren richter off scepenen off konde die hen met recht be
vruege Reij Hage ende willen blijven op honnen onscout

Hertaling:

                  waarheidsvinding
Peter Nijx enerzijds tegen Reijnken Morees, Huijklen Wouter-
sen van Heukelem en Leijnsken Mersmansen, waarheidsvinding,
en met elkaar hebben deze drie in geding gebracht hun aanspraken ofwel hun
verder verweer waarmee zij alles naar waarheid opgeeist hebben en
het is aan de rechter of schepenen of deskundige om onderzoek te doen
bij Reij Hage, en zij blijven erbij onschuldig te zijn


Aan het einde van het jaar volgt de uitspraak die negatief voor hun uitvalt. Zij moeten deze man een bedrag van drie gulden betalen. (11) Dit is nu ongeveer € 300.

Verder is van Reijner Morees een handgemeen bekend met een zeker Bart Palmartsz. In 1458 krijgen beiden op een voogdgeding van het Vroenhofs Hoofdgerecht - onder verbeuring van een mark bij niet nakomen - de verplichting opgelegd hierover onder ede en met voldoende getuigen een verklaring af te leggen voor of tijdens het eerstkomende geding. (12)


RHCL te Maastricht, Schepenbank van het Hooggerecht van den Vroenhof te Maastricht. nr. 6692, fol. 23, Voechgeding december 1445

In drukletters:

Contra Re. Morees

Soe wijsen onse heren die scepenen Reijnen Morees op enen marc in 't forfeijt
omme deswille dat he Mees Palmartz mit boesen wille sijne henck
gereten sulde hebben, mer mach dairvoeren sweren want he ment [?] den mit eijnen
getuge overtuijcht en is

Contra Barth Palmartz

Desgelijx wijsen sij Mees Palmartz op enen marc in 't forfeijt omme
deswille dat he Reijnen Moerrees mit eijnre vuijst voer sijn aensicht
geslagen sulde hebben, mer mach ouch dairvoeren sweren etc.

Item die vursz. Reijnen ende Mees hebben openen dach genomen den eijt
te doen tusschen dit ende den neesten gedenge off ten neesten gedenge na den
banck recht.

Van Johan Marees, de zoon van Reyner, zijn openbare functies bekend. Johan Marees, is meester lakenscheerder en hij wordt in 1457 en 1467 en beide malen voor de gebruikelijke termijn van twee jaar, evenals zijn vermoedelijke oudoom Paul Moraes, benoemd tot gouverneur van het Lakenscheerders­ambacht. (13)

In 1471 is Johan Marees hoofdman (kapitein) van de burgerij tussen de Hochter- en de Huigenpoort, waarbij hij volgens de ordonnantie op de schutten van 1457 de beschikking heeft over 3 boogschutters en één bus­schutter, ook wel klovenier of donder genoemd. (14)

Johan Marees is zowel producent als handelaar. Blijkens een cijnsregister uit het jaar 1462 heeft hij bezittingen op de Houtmarkt later de Houtmaas genoemd, de grote kade voor handelsschepen. (15)

Op oudere leeftijd is hij naar Heukelom verhuisd, want als hij in 1485 in de Reyenstraat te Maastricht een huis koopt wordt hij Jan Marees van Heukelom genoemd. (16)
Als hij vijf jaar later in dezelfde straat nog een huis koopt is die toevoeging er echter niet bij. Hij sterft kort voor 24 januari 1495 (17).

Zijn zoon Reyner Marees van Heukelom koopt vanaf 1498 land te Heukelom. Hij heeft ook landbezit in naburige dorpen als Vlijtingen en Sichen. (18) Reyner heeft vier zonen, Reyner, Jan, Matthijs en Laurens.

Laurens Marees van Heukelom woont in het dorp in de Cromsteeg. Zijn hof die grenst aan de hof van Thibalt van Eynatten, de heer van Heukelom, zal gedurende een eeuw in familiebezit blijven (19). Laurens bezit ook land in naburige dorpen en heeft tevens een huis in de stad in de Begardstraat (20). Na zijn kinderloos overlijden gaat de hof naar zijn broer Matthijs.

Ten behoeve van deze Matthijs Marees en twee van zijn broers is een charter van de Maastrichtse schepenbank de Vroenhof uit 1526 bewaard gebleven. Het is een vrijbrief waarin vermeld wordt dat de gebroeders Jan, Matthijs en Reyner Marees van Heukelom gegoede en geërfde kooplieden zijn, die in diverse landen handel drijven en die als Maastrichtse burgers in geheel Brabant vrijgesteld zijn van belasting op goederenverkeer, en dat zij dit steeds ongevraagd dienen te verkrijgen. Dit charter zal hard nodig zijn geweest in de toenmalige onrustige tijden. Het was in de tijd van de Gelderse oorlog, waarin rondzwervende groepen, onregelmatig of niet betaalde, soldaten door roof aan hun soldij moesten komen. Tevens ging er een golf van stedelijke oproer door de Nederlanden als reactie op de centralistische politiek van Karel V. Het was een tijd waarin de autoriteiten ook zeer op hun hoede moesten zijn voor fanatieke elementen als religieuse predikers, Luthersen en Wederdopers. (21)

Het Charter Marees

Gezegeld charter uit 1526 dat vrijstelling geeft van tol en accijnsen
Transcriptie

Wier scoutet ende scepenen shoofs van lenculen geheiten vroenhoff toebehoerende onssen heer den keyser als hartoech van brabant met namen claes daems scoutet johan van eynatten claes daems voerss arnt van bunde herman van overbunde frans scaert jan clut ende arnt theus scepenen doen cont ende certificeeren allen amptluyden richteren scoutitten scepenen burgemeesteren rentmeesteren tolleneren ondersaten ende allen anderen geseten onder eynigen van den landen ons voerss genedigen heeren dien dat aengaen mach dat deese navolgen personen met namen thys marees jan marees ende reyner marees van hoekelom alle ondersaten vanden voerss vroenhoff onder onss voerss genedigen heer geseten geguet ende geerft ende syn coupluyde van veele diverse comenscapen ouch in diversen landen hanterende ende honne comenscapen doende ende om dan franck ende vry te wandelen inden landen van onss genedigen heer soe begeeren wyr scoutet ende scepenen ons voerss genedichsten heeren aen allen heeren ende vorsten ende vort aen allen iusticieeren amptluyden gerichten tolleneren dat sy die voerss persoenen als ondersaten des hartoech­doms van brabant met honnen comenscapen laten vry wandelen keeren passeeren ende verkeeren te water ende te lande by daege ende ouch by nacht los ende vry sonder eynigen tolle oft ongelt vanden selven te nemen in eyniger manieren volgende der vriheit die dat lant van brabant ende ondersaten desselven lants daer van hebben ende gebruyken ende gebruyct hebben over voel jaeren op dat den selven onssen ondersaten egeene noode en sy dat voirder te claegen ten onderhouden vander voerss vriheit daer van dat sy in vrederlyker possessien ende gebruyck syn geweest ende noch huyden by daege syn soe wyr verstaen in orconden der waerheyt soe hebben wyr scoutet ende scepenen voerss inden meesten getaele van ons ende voer die andere onsse siegelen hyr onder aen gehangen gegheven int jaer ons heeren duysent vyffhondert seesendetwintich den achden tach van augusto (22)

Van de drie broers, Matthijs, Jan en Reyner Marees, die in dit document worden genoemd kan het volgende worden verteld. Matthijs erft de familiehoeve in het dorp Heukelom. Hij overlijdt kinderloos vóór 1580. Jan Morees koopt in 1535 te Wylre, thans Wolder genaamd, de hoeve 'De Slonshof' en wordt sindsdien Jan Moers of Morees van Wylre genoemd. (23) Hij is kinderloos overleden voor 1544.

Reyner Marees van Heukelom, de derde zoon, zet de stam voort. Hij heeft zes kinderen blijkens het feit dat zijn nalatenschap in zes porties wordt verdeeld. Van vijf zijn namen bekend. De dochters Marien en Marie, de zonen Jan, Nelis en Matthijs. Van één kind, dochter of zoon, is naam noch erfdeel bekend.

Marien huwt in of vóór 1558 Ghiel Meyers, landeigenaar te Sussen. Marie huwt in of vóór 1561 Bolle Hans Stassen van Riemst. Nelis Merees blijft ongehuwd en overlijdt kort voor 1556. Jan Merees, vestigt zich te Meer. In dit dorp en ook in het naburige Fall verwerft hij land en heet sindsdien Jan Merees van Meer. Uit zijn huwelijk met Francisca Scholtete spruit een kleine tak die uitsterft met Jan Marees, schepen van Meer van 1628 tot 1667. (24)

Koopmansechtpaar in Lübeck omstreeks 1530.
Foto: Burgkloster zu Lübeck, Deutschland.

Koopmansechtpaar
omstreeks 1530

Matthijs Marees van Heukelom, erft de voorvaderlijke hoeve van zijn oom ongehuwde oom Matthijs en wordt zeer oud. Hij overlijdt te Heukelom op ruim tachtigjarige leeftijd kort voor 28 mei 1613. (25) Hij krijgt twee zoons Nicolaas en Reyner Marees. Beiden verlaten op jeugdige leeftijd Heukelom en gaan weer in de stad wonen. Reyner koopt daar in 1587 een huis op de Kleine Gracht en Nicolaas koopt in 1591 een huis op de Tweebergerstraat. Hij is de stamvader van het Maastrichtse geslacht Marres

De naam van het zesde kind van Reyner Marees van Heukelom is niet bekend. Wat opvalt is dat in de reeks namen van kinderen de naam Reyner ontbreekt, terwijl die naam in elke generatie voorkomt en de vader zeker een zoon en ja zelfs de oudste zo genoemd zal hebben.

Het is in deze tijd dat in het naburige Fall, een dorp enige kilometers westelijk van Heukelom een Reyner Mares opduikt, terwijl voor die tijd die naam daar niet voorkwam. Deze Reyner Mares van Fall bezit land in de omgeving van Fall en in het iets westelijker gelegen Millen en krijgt daar een groot nageslacht. Een familierelatie van de familie Marres met het nageslacht van Reyner Mares van Fall is al langer verondersteld, mede omdat hij zijn kinderen exact dezelfde voornamen geeft als in de familie gebruikelijk is. In het archief van de schepenbank van Millen, dat berust in het Rijksarchief van Hasselt, zijn de gichtregisters vanaf het jaar 1511 bewaard gebleven. Hier zou de eventuele registratie van zijn erfdeel en de aankoopdocumenten van zijn bezittingen in dit gerechtsgebied gevonden kunnen worden, maar de oudste registers bevonden zich bij ons onderzoek in 1990 in zeer slechte staat, ze waren door vocht en muizen aangetast, bijna tot stof vervallen en nauwelijks meer te lezen. Van een grondig onderzoek moest worden afgezien. In het artikel Marres in 'De Nederlandsche Leeuw' van 1990 is de veronderstelde familierelatie in deze generatie al aangegeven.

Recent is genetisch genealogisch onderzoek gedaan bij leden van de families Marres en Mares. De uitslag hiervan bewijst de familierelatie die in de litteratuur al werd geopperd.


MARRES

MARES