Phylogenetische stamboom van de 20 bekende Y-DNA haplogroepen

MARRES - MARES

GENETISCHE GENEALOGIE
Logo ISOGG

Inleiding tot de Genetische Genealogie

Erfelijkheid

Het menselijk lichaam is opgebouwd uit organen zoals huid, spieren, zenuwen, enzovoorts. Al deze organen zijn opgebouwd uit cellen met een celkern en hierin bevindt zich het erfelijk materiaal in specifieke moleculen het DNA, dat hier op 46 chromosomen in 23 gelijke chromosoomparen ligt, althans bij de vrouw. Bij de man is één van die paren verschillend, het XY paar. De vrouw heeft een gelijk XX paar, de man heeft één X en één Y chromosoom die zijn samengekoppeld.

In de voortplantingscellen, eicellen en zaadcellen, zijn de chromosoomparen gesplitst. Deze cellen krijgen van elk chromosomenpaar de helft. De eicellen hebben alle een X chromosoom. Van de zaadcellen heeft helft een X en de andere helft een Y chromosoom. Bij de bevruchting ontstaat een meisje als twee X chromosomen samenkomen en een jongetje als dat een X en een Y zijn. Het Y chromosoom gaat dus van vader op zoon over.

SNP

De huidige mens stamt af van een man die ongeveer 60.000 jaar geleden vanuit Afrika naar het Middenoosten trok. In de loop van de tijd traden er bij enkele nakomelingen in het Y-chromosoom kleine veranderingen op, zogenaamde mutaties, die aan de nakomelingen zijn doorgegeven. Zo'n veranderd 'blokje' DNA noemt men een SNP (Single Nucleotide Polymorphism). Dit krijgt een codenaam, bestaande uit een letter die de Universiteit aangeeft waar hij ontdekt is gevolgd door een cijfer, b.v.: M106. (1)

Haplogroep

Er zijn in de geschiedenis van de mens een twintigtal duidelijke mutaties in het Y chromosoom ontstaan en deze hebben daardoor geleid tot twintig verschillende groepen van nakomelingen, Deze groepen noemde men haplogroepen, naar het klassiek Griekse woord voor enkelvoudig: 'απλουσ omdat het een mutatie in het enige niet dubbele chromosoom, namelijk enkelvoudige Y-chromosoom betreft. Deze groepen kregen ieder een eigen letter van A t/m T. Zie de figuur aan de kop van dit artikel. Wanneer in zo'n groep weer een erfelijke mutatie optreedt ontstaat een subgroep. Aan de letter wordt dan een cijfer toegevoegd. Bij een volgende mutatie vervolgens weer een cijfer.
Zo leidde de SNP M106 tot de Haplogroep G en de SNP P287 tot subgroep G2.

Haplogroep G en zijn subgroepen
Subgroepen van Haplogroep G

Phylogenetische stamboom van de haplogroep G subgroepen met hun SNP's
De rode stip geeft de subgroep van de familie Marres/Mares aan. (2)

STR of marker

Chromosomen hebben specifieke blokjes eiwitten, STR's (Short Tandem Repeats). Hiervan zijn er meer dan honderd bekend. Deze STR's zijn veel mutatiegevoeliger dan SNP's. Ze worden benoemd naar hun plaats op het Y chromosoom b.v. DYS 19 (DNA Y-Segment plaats 19) gevolgd en het aantal herhalingen. Dus b.v.: Dys19=15. Ze worden marker genoemd.

Haplotype

Ieder mens heeft zijn specifieke scala markermutaties. Dit wordt zijn haplotype genoemd. Naaste familieleden hebben meestal hetzelfde haplotype. In de verschillende takken van een familie vindt je bij één of meer markers andere waarden. Hoe verder de familieafstand des te meer de verschillen.

Genetische Genealogie

De genetische genealogie bestudeert de verschillen in verspreiding van de verschillende haplogroepen en hun subgroepen in de diverse landen om de geschiedenis van de verschillende volkeren in de prehistorie te ontrafelen. Met de bestudering van haplotypen kan dit ook gedaan worden voor de geschiedenis van afzonderlijke families.

*

De geschiedenis van haplogroep G

De Herkomst uit Afrika

De mens is meer dan een miljoen jaren geleden in Afrika ontstaan, maar ruim 90% van alle niet Afrikanen stamt af van één man die behoorde bij een klein groepje, vermoedelijk een zestigtal, dat ongeveer 60.000 jaar geleden Afrika verliet en langs de kusten van het Arabisch schiereiland India introk. Zij hadden allen de SNP mutatie M168.

Het ontstaan van Haplogroep F in India

Ongeveer 45.000 jaar geleden ontstond in India bij één man in zijn Y chromosoom de SNP mutatie M89, die hem plaatste in wat we nu haplogroep F noemen. Er zullen in die tijd minder dan duizend mensen in de wereld hebben geleefd.

Het ontstaan van Haplogroep G in het Zuid-West Azië

Tussen de 10 en 20.000 jaar geleden ontstond in Zuid-West Azië, waarschijnlijk in Mesopotamië, nu Irak, mogelijk meer naar het Oosten, in de Indusvallei in de Punjab, nu Pakistan, aan de voet van de Himalaya bij een man de SNP mutatie M201 waardoor zijn nakomelingen in haplogroep G kwamen. Deze regio heeft nu nog hoge percentages van deze haplogroep met een rijke verscheidenheid aan haplotypen. De jager-verzamelaars zijn inmiddels veefokkers en landbouwers geworden. Het Neolithicum neemt zijn aanvang, de eerste nederzettingen ontstaan en de voedselproductie en bevolking groeit en dit noopte weer tot emigratie en van hieruit begon de verspreiding.

De verspreiding van Haplogroep G in Azië en Europa

Een groep ging naar Turkije en verder naar Europa waar de laatste ijstijd zo'n 10.000 jaar geleden aan zijn einde was gekomen. De landbouw was ook daar al begonnen. Een tweede golf kwam wat later en ging vooral naar Zuid Europa. Zij kunnen de initiators van de veeteelt zijn geweest, van nieuwe aardewerkvormen en een nieuwe metaaltechniek. Hiervan zijn veel vondsten gedaan rond de Middellandse Zee.

Een groot aantal trok naar het warmer geworden noorden naar Kazachstan en woonde daar vele millennia. Veel later trokken ze westwaarts naar de Zuid-Russische steppen.

De geografische verdeling van Haplogroep G

Bij 5% van de Westeuropese bevolking komt haplogroep G voor. In wat mindere mate in Noord- en Oost-Europa en op de Britse eilanden. In Rusland en de Oekraïne is het slechts 1%.

Hoge concentraties worden gevonden op de hellingen van het Kaukasusgebergte. Aan de noordhellingen bij de Noord-Osseten en de Karbadinians. De hoogste concentratie ligt in de stad Digora in Noord Ossetië met 74%. Ook in Centraal Kazachstan is er bij het volk van de Madyaren een top van 87%. Op de zuidelijke hellingen van de Kaukasus komt in wat mindere mate voor in Georgië en Armenië met 15%.

In Voor-Azië zijn er hoge percentages in Iran 14% en Turkije 11%, ook meer naar het oosten vinden we hen op de westelijke hellingen van de Himalaya, in Pakistan en Afganistan, met name bij sommige bevolkingen zoals de Pashtun, hier 10%.

In Tirol is een hoge aanwezigheid met een uitloper van dit gebied langs de zuidgrens van Oostenrijk naar Slovenië en Kroatië langs de rivier de Drava tot aan de Donau, percentages van 8 tot 12%. Voorts zijn er op eilanden in de Middellandse zee, Sardinië, Ibiza en Kreta percentages van 10-12%.

De geografische verdeling van de subgroepen van Haplogroep G

In de loop van de tijd ontstonden bij verschillende nakomelingen mutaties die leidden tot de onderverdeling in G1 en G2 en bij hun nakomelingen ontstonden vervolgens ook weer subgroepen. Uit de geografische verdeling van de aantallen personen uit de verschillende subgroepen probeert de genetische genealogie de historische trekroutes vast te stellen.

G1 komt het meest voor in Kazachstan.

G1a komt eveneens voor in Kazachstan en verder bij een aantal Ashkenasische joden.

G2 telt slechts enkele individuen. Bijna allen zijn in subgroepen onder te brengen.

G2a De familie Marres/Mares behoort tot de subgroep Miscellaneous G2a*. Omdat er onderling geen nauwe verwantschap is wordt van deze groep gedacht dat zij waarschijnlijk de zeldzame overlevenden zijn van een oude afstammingslijn. De subgroep lijkt nog het meest op G2a1a. (3)

G2a1 en zijn subgroep G2a1a zijn de meest voorkomende subgroepen in de Kaukasus met name in Noord-Ossetië, en incidenteel in Bulgarije, Polen, Zwitserland, Italië en Engeland. Er is ook een groep Ashkenasische joden van Noordoost Europese origine. Hun haplotype wijkt af van het Ossetische.

G2a2 is zeldzaam en gevonden bij een enkele Turk en enkele Britten.

G2a3* komt in lage frequenties in Noord-India voor.

G2a3a en zijn subgroepen komt in Zuid Europa, Griekenland, Turkije en rond het oostelijke Middellandse zeebekken bij de helft van de mannen voor. In Noord-Europa is dit slechts bij 20%.

G2a3b is een in 2009 ontdekte groep. Is waarschijnlijk groot en vastgesteld bij Britten, Sicilianen en Turken en heeft al een grote subgroep.

G2a3b1 heeft de hoogste concentraties in de Noord Kaukasus bij de Karbadiniers en verder onder de meerderheid van de haplogroep G mannen van Rusland en Europa. Een zeer hoog percentage is er op het eiland Ibiza. Lage percentages worden gevonden ten zuiden van de Zuid Kaukasus en in Iran en het Midden Oosten waar deze subgroep wel kan zijn ontstaan. Komt ook voor in India.
Een door haplotypen gekarakteriseerde subgroep bevat ook Ashkenasische Joden.

G2a3b1a1 Een in 2010 gevonden mutatie in de Kaukasus.

G2a4 een in 2009 vastgestelde subgroep. Hiertoe behoren veertien families, nu wonend in Hongarije (3), Duitsland, Sicilië, Marokko (2), Nederland, Griekenland, Sardinië, Turkije en India (1).

G2c komt hoofdzakelijk voor bij Ashkenasische Joden, verder incidenteel in en rondom Afghanistan, in het Middenoosten met name in Turkije en dan vooral bij Maronitische Christenen en ook incidenteel in Iran. Deze verspreiding wijst op zijn mogelijke oorsprong in deze streken. Deze haplogroep komt voor bij 4% van de Israëliërs. De helft van de Ashkenazim heeft Haplogroup J. (4)

*

Hypothesen over de komst van Haplogroep G in Europa
Neolithische boeren op de vruchtbare gronden.

De verspreiding door een volk dat 10.000 jaar geleden in het Midden Oosten leefde en daar van jager-verzamelaars landbouwers werd. Deze leefwijze, de neolithische cultuur, verspreidden zij door immigratie over het Midden-Oosten en Europa. Andere delen van deze bevolking gingen naar de steppen van Rusland en bleven veehoudende nomaden. (5)
De neolithische cultuur, die zich rond 6000 v. Chr. in Europa voltrok, strekt zich uit over de vruchtbare gronden met name de lössgronden van Bohemen, over de Rein- en Maasvallei tot aan Parijs. Men ziet hier een zekere homogeniteit van cultuurcomponenten. (6). Hierbij wordt uitgegaan van een stabiele bevolking, maar daar is nogal wat op af te dingen. In het vruchtbare lössgebied dat zich uitstrekt van de Eiffel tot midden België, is de stam van de Eburonen door Caesar in de 1e eeuw v.Chr. grotendeels uitgeroeid en werd een nieuwe bevolking aangetrokken uit het Overrijnse gebied en uit Gallië. Zij kregen de naam Tungri. In de volgende eeuwen kwamen daarbij ook de Franken massaal als immigranten binnen. (7).
Haplogroep G ontbreekt echter nagenoeg geheel in de landbouwgebieden met een oude landbouwcultuur van Noord-Europa.
Tegenwoordig neemt men dan ook steeds meer aan dat de neolithische levensvorm in Noord-Europa niet het gevolg is van immigratie maar van acculturatie. (8)

Neolithische herders in de bergen.

Een tweede hypothese is de binnenkomst door immigratie van Neolithische herders tussen 7.000 en 4.000 jaar voor onze jaartelling vanuit Anatolië of de Kaukasus. Zij zouden schapen en geiten meegebracht hebben, die daar ongeveer 10.000 jaar geleden gedomesticeerd waren. Dit zou verklaren waarom haplogroep G vooral in bergachtige streken gevonden wordt zowel in Europa als in Azië en op de eilanden van de Middellandse Zee.

Indo-Europese metaalsmeden

Haplogroep G2a is ook in verband gebracht met de verspreiding van de metaalbewerking van de Kaukasus naar Anatolië, Sardinië en de Alpen. Veel vroege Centraal- en West-Europese gemeenschappen ontwikkelden zich in de Bronstijd in ertsrijke gebieden als Ierland, Wales, Cornwall, Noord-Spanje, Portugal en de Alpen. Sommige van deze regio's hebben relatief hoge G2a niveaux, zoals Noord Spanje en Noord Portugal, Zwitserland en Tirol. Een bezwaar hiertegen is dat de G2a haplotypen in deze streken te weinig divergeren en dus pas in veel recentere tijden zijn binnengekomen.

Verspreiding door de Romeinse legers.

Gedemobiliseerde veteranen van vreemde hulptroepen zo ook de Sarmaten kregen na hun diensttijd het Romeins burgerschap en ook land aangeboden op plaatsen waar ze het laatst hadden gediend en waar hun vrouw en kinderen leefden. Dit was meestal aan de grenzen van het Rijk. Aan de noordgrens van het Rijk lag een verdedigingslinie die liep van de Rijn bij Keulen via Maastricht, Tongeren naar Bavay en verder via Doornik of Amiens naar Boulogne sur Mer aan de kust. Deze weg werd verdedigd met forten onder meer bij de maasovergang Mosae Traiectum (Maastricht) en Atuatuca (Tongeren) dat het administratieve centrum was van de civitas Tungrorum. Hier was ook de prefectuur van de hulptroepen gevestigd. De troepen waren gelegerd in de diverse forten. Een vestiging in het welwarende België zal zeker niet onaantrekkelijk geweest zijn.

Asiel

In het midden van de 4e eeuw krijgt de bovenlaag van de Sarmaten - waarschijnlijk de laag waaruit de auxilia werd gerecruteerd - die na een opstand van hun slaven uit Sarmatië verdreven was tijdens de interne Sarmatische oorlog asiel in het Rijk aan de overzijde van de Donau in het dal de Drava, een zijtak van de Donau, die westwaarts loopt door Servië, Kroatië en Slovenië en die eindigt in Tirol en ook in Macedonië en Noord Italië. (9)

Verspreiding door de Alanen tijdens de Volksverhuizingen.

Haplogroep G wordt in Europa gevonden langs de Alaanse trekroute tijdens de Volksverhuizingen in de 5e eeuw, en sterker op de plaatsen waar zij van de Romeinse overheid toestemming kregen zich te vestigen. Bekende vestigingsplaatsen in Gallië waren aan de Rhône bij Valence, boven de Loire en in Bretagne. Verder in Noord Portugal, Catalonië in Spanje, Tunesië, Sardinië en korte tijd in Sicilië. (10)

De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus

De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus.

*

Enige percentages van de huidige verspreiding van Haplogroep G in Eurazië
Haplogroep G verspreiding

In volgorde van het percentage in de bevolking (11)

Noord-Ossetië-Alanië

74%

Zuidwest-Rusland, Georgië, Kabardinië, Kaukasus

30%

Catalonië (Spanje), Noord-Sardinië, Ibiza

20%

Turkije, Cyprus, Malta en Kreta, Sardinië

10-15%

West- en Midden-Europa, waaronder Nederland.

3-4%

Noord-Europa

2%

Groot-Brittannië

1-2%

Opmerkelijk is de recente ontdekking

Zuid-Limburg
Zie ook Sarmaten

Fors boven het Nederlands gemiddelde (12)

Samenvatting

Op basis van historische bronnen, archeologische vondsten en de verschillende percentages van haplogroep G in de bevolkingen van de hierboven genoemde landen, komt het beeld naar voren van twee verspreidingsgolven.

Eén golf naar Zuid Europa komend van Iran via Turkije naar het Oostelijk Middellandse zeebekken.

De tweede golf door Alano-Sarmaten naar Centraal en West-Europa en naar de Britse eilanden komend uit Zuid-Rusland. Deze bestond uit twee componenten:
Een rond de vestigingsplaatsen van de gedemobilseerde Sarmatische militairen die gediend hadden in de Romeinse legoenen. (13)
Een tweede door het immigratie van Alanen in het jaar 406 tijdens de Volksverhuizingen die vestigingsplaatsen kregen in Frankrijk. En waarvan een groep in Spanje en op de Westelijke eilanden van de Middellandse Zee een koninkrijk vestigde waar ze gedurende anderhalve eeuw zelfstandig bestonden en later opgingen in de bevolking.

Het oudste graf in Europa van een tweetal dragers van haplogroep G2a, daterend uit 670 de tijd van de Merovingers, is kort geleden gevonden in Beieren. Het zijn twee krijgers die met vier anderen begraven zijn, tezamen met hun zwaard, speer, schild en sporen, dus cavaleristen. (14)

*

Familiair onderzoek

Twee leden van de tak Marres en twee van de tak Mares hebben hun Y-DNA laten onderzoeken. Van de tak Marres deden dit P.J.Th. (Pieter) Marres en E.C.W.L. (Boed) Marres. Hun meest recente gemeenschappelijke voorvader is Michaël Marres, 1797-1865, bierbrouwer en distillateur te Maastricht.
Van de tak Mares waren dit A.M.H.M. (André) Mares en G.K.J. (Guus) Mares. Hun meest recente gemeenschappelijke voorvader is Peter Mares, 1615-1686, brouwer te Sichen (nu België).
De meest recente gemeenschappelijke voorvader van de takken Marres en Mares is Reyner Marees, geboren omstreeks 1490 en gestorven kort voor 1552, koopman te Heukelom in de Vroenhof van Maastricht. (15)

Haplogroep G2a*

Dit is de code voor ons familiale Y-chromosoom wegens de mutaties in: M168, M89, M201, P287 en P15. Wij zijn hier ingedeeld in een gemengde subgroep die het meest ligt bij G2a1a.
Twee veronderstelde mutaties, die ons in een diepere subgroep gebracht zouden hebben, zijn bij hertesten afgevallen, Het onderzoek gaat voort.

Zie ook: New SNPs. Meerdere vermeldingen van de familie bij de bespreking van de gevonden mutaties. Zie ook: Haplogroup G Categories, Miscellaneous G2a* persons.

Haplotype
Het resultaat van de nu bekende gezamenlijke 37 markers
markers Marres Mares

De markers zoals bepaald door FamilyTree-DNA en Genebase.

Genetische afstand Marres Mares

Genetische Afstanden.
Berekend met Dean Macgee's Y-DNA
Comparison Utility van het ISoGG.

Tijd tot de meest recente voorvaders van de takken Marres en Mares

Tijd tot de meest recente voorvaders.
Berekend met Dean Macgee's Y-DNA
Comparison Utility van het ISoGG.

Bespreking

Uit de bijgaande tabellen van het Haplogroup G project van FamilyTreeDNA blijkt dat de acht en twintig generaties afstand geleid hebben tot mutaties bij vier markers.

Opvallend is dat de 3 markers (Dys 390 en 438 en CDYa) waarop de twee leden van de tak Mares verschillen ook 3 van de 4 markers (+ Gata H4) zijn waarop de twee takken onderling verschillen. Het lijkt wel of dit markers zijn die in deze familie 'mutatieonderhevig' zijn.

De meest recente gemeenschappelijke voorvader in de tak Mares is geboren in 1615 en de twee leden van de tak Mares zijn 10 generaties van hem verwijderd. Deze biologische test komt, maar dat is toeval, op exact het zelfde getal uit.

De geboortedatum van meest recente gemeenschappelijke voorvader van de takken Mares en Marres is rond 1490. De takken komen 14 generaties terug bij elkaar. De biologische test zegt 13 generaties bij de ene en zelfs 10 bij de tweede Mares. In zijn tak hebben zich dus duidelijk minder mutaties voorgedaan.

Conclusie

Met behulp van een uitgebreid onderzoek waarbij in dit geval 37 markers gebruikt werden blijkt de familierelatie zeer exact bepaald te kunnen worden.

Met zekerheid is vastgesteld dat de vier geteste personen: twee leden met de naam Marres en twee met de naam Mares hechten aan één stam en dat zij een gemeenschappelijke voorvader hebben, zoals reeds verondersteld in het artikel in De Nederlandsche Leeuw van 1990.

Hetgeen via archivalisch onderzoek niet mogelijk was om met zekerheid aan te tonen, maar reeds in het artikel in De Leeuw als waarschijnlijkheid is geopperd, namelijk dat Reyner Mares van Fall, stamvader van het Vroenhovense geslacht Mares, de zoon is van Reyner Marees van Heukelom, generatie V van het Maastrichtse geslacht Marres, is nu in combinatie met de uitslag van dit genetisch genealogische onderzoek aangetoond.

Verwachtingen

We verwachten uit het verdere onderzoek te ontdekken wie onze vroegste voorvaderen waren. Daarvoor zijn we afhankelijk van het bekend worden van alle individuele Y-DNA profielen in de wereld. Er zijn verschillende databases in de wereld, met name in Amerika waar al veel materiaal aanwezig is.
We zijn zeer benieuwd naar de geografische spreiding van de komende mededragers van onze haplo subgroepje.

Vergelijking met de gegevens in overige internationale databanken

Het haplotype van een lid van de tak Marres is vergeleken met de databases van:

I. YHRD.ORG.

Deze organisatie heeft een dataset met 86568 haplotypen in 670 populaties. Zij geven niet aan uit welke publicaties dit afkomstig is.

Hongarije De grootste overeenkomst is er met Hongaren met haplogroep G.
N.B.: In Oost Hongarije lag in de Romeinse tijd lag het noordelijke deel van Sarmatia.

II. GENEBASE.

Deze organisatie heeft een dataset van 91 publicaties in 11 verschillende wetenschappelijke tijdschriften. Hier is een RMI (Relative Match Index) vastgesteld, een maat van overeenkomst tussen zijn haplotype en die van andere haplogroep G2a personen uit alle bevolkings­groepen in de wereld.

Tirol (Oostenrijk) 89 In de vierde eeuw vestigden de Sarmaten zich ten zuiden van de Donau in het dal de Drava, een zijtak van de Donau, die westwaarts loopt door Servië, Kroatië en Slovenië en die eindigt in Tirol.
Nowgorodskaja (Rusland) 56 Hoofdstad Nowgorod. Het is een oude handelsstad.
Vojvodina (Servië) 32 Was in de Romeinse tijd het zuidelijke deel van Sarmatia.
Vologodskaja (Rusland) 25 Hoofdstad Vologda. Hier wonen veel Oekrainers.

Conclusie

Insignis Sarmati

Een Sarmatische afstamming lijkt als gevolg van het DNA onderzoek tezamen met historische en archeologische data onweerlegbaar te worden.

We wachten de volledige determinatie van het DNA van de betreffende bevolkingsgroepen en de eventuele Limburgse en Luikse verwanten af.

Het zal wel toeval zijn dat een wapenfiguur in het oudste zegel van de familie Marres dezelfde is als dat van de vroegere Sarmaten, een draak.

wapenschild Marres, 1669

Insignis Sarmati 2-5e eeuw

Wapenschild Pau de Marres 1669

*

Conclusie

De haplogroep van de Maastrichtse familie Marres / Mares is door genetisch onderzoek vastgesteld op Haplogroep G2a* en wordt nog nader onderzocht. Hun Haplotypen zijn het meest in overeenstemming met de haplogroep G dragers in Hongarije en Vojvodina in Servië, de landstreek waar de Sarmaten gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling gevestigd waren, verder in Tirol, nabij Noord Italië, waar veel Sarmaten bij de inval van de Hunnen naar toevluchtten en voorts in handelssteden in Noord Rusland, waar Oekraïense kooplieden zich vestigden.

De haplotypen van de huidige bewoners van de Krim, waar de Alanen een koninkrijk hadden, en van Noord-Portugal, Andalusië en Cantabria in Noord-Spanje en Sardinië, landen waar de Alanen gevestigd waren wijken iets meer af.

Het onderzoek is echter nog niet afgerond en we verwachten verdere determinering zowel van de familie als van nakomelingen van vermoedelijke stamgenoten.

Het zou interessant zijn om met deze techniek familierelaties te traceren met families die namen dragen als Marees, Mores, Moorrees, Marets, Moers, Moors, Maurissen, Moreau, Moreaux, etc. al dan niet voorafgegaan door het voorzetsel de of des, of met families met een geheel andere naam, waarmee een gemeenschappelijke stamvader bestaat in een tijd dat achternamen nog niet gebruikelijk waren.

*

Maternale Haplogroep I1a1

De maternale haplogroep wordt bepaald uit de celmitochondrieën. Het hierin aanwezige DNA is afkomstig van de moederlijke eicel. De mannelijke zaadcel levert nauwelijks of geen materiaal.

Bij één lid van de familie Marres is dit mitochondriale DNA onderzocht dat verder dus alleen te vinden is bij zijn voormoeders van moederszijde en dus ook bij die van zijn zuster en ook bij de kinderen van zijn tante van moederszijde en voorts bij de nakomelingen van zijn oudtantes van moeders-moederszijde via hun dochters enz.
De opgaande lijn gaat via de volgende families: Franquinet, Tielens, Corten, Becker, Geurts, Meyers en als oudste maternale voormoeder Maria Catharina Peussens, geb. omstreeks 1730 waarschijnlijk te Maastricht.

Deze Haplogroep heeft zijn grootste concentratie in Europa met een hotspot in Noorwegen. Het maximum ligt daar in de provincies Buskerud, Hordaland, Fuordane en Opland. Het wordt geleidelijk minder in midden Noorwegen en Zweden.
Een tweede concentratie ligt in Zuid Finland met van daar uit dalende concentraties in de rest van Finland en de regio rond Sint Petersburg, hoe dieper Rusland in hoe minder aanwezig, tot een bijna afwezigheid in Zuid Rusland.
Hogere concentraties zijn er weer in de Oekraïne, de Kaukasus, Kazachstan en Turkmenistan tot in Oost Iran. Verder rond de Westkant van de Zwarte zee vooral rond de Bosporus in Europees- en Noordwest Turkije, in Albanië en de hiel van Italië.
Een lichte algemene concentratie is er over geheel Engeland en Nederland en Duitsland en geïsoleerd in de kop van Noordwest Spanje.
In Azië is er een hotspot in Pakistan in de Indusvallei en de Punjab.
In Afrika is er in Egypte een hoge concentratie bij het Zuidelijke Nijl, uitdovend over de verdere Nijldelta en naar het Westen. Voorts is er in Tunesië een hotspot.

Het lijkt wel een samengaan van Sarmatische en Viking genen.


HOME

Sarmaten