|
MARRES - MARESGENETISCHE GENEALOGIE |
|
InleidingErfelijkheidHet menselijk lichaam is opgebouwd uit organen zoals huid, spieren, zenuwen, enzovoorts. Al deze organen zijn opgebouwd uit cellen met een celkern en hierin bevindt zich het erfelijk materiaal op 46 chromosomen op 23 gelijke chromosoomparen, althans bij de vrouw. Bij de man is één van die paren verschillend. Het XY paar. De vrouw heeft XX, De man heeft één X en één Y, dus XY. In de voortplantingscellen, eicellen en zaadcellen, zijn de chromosoomparen gesplitst. Deze cellen krijgen van elk chromosomenpaar de helft. De eicellen hebben alle een X chromosoom. Van de zaadcellen heeft helft een X en de andere helft een Y chromosoom. Bij de bevruchting ontstaat een meisje als twee X chromosomen samenkomen en een jongetje als dat een X en een Y zijn. Het Y chromosoom gaat van vader op zoon over. SNPDe huidige mens stamt af van een man die ongeveer 60.000 jaar geleden vanuit Afrika naar het Middenoosten trok. In de loop van de tijd traden er bij enkele nakomelingen in het Y-chromosoom kleine veranderingen op, zogenaamde mutaties, die dan weer aan hun nakomelingen zijn doorgegeven. Deze mutaties zijn gevonden in specifieke 'blokjes' DNA bouwstenen, waar de specifieke volgorde van de vier basen (de nucleotiden adenine, guanine, cytosine, thymine) is veranderd. Zo'n veranderd 'blokje' DNA noemt men een SNP (Single Nucleotide Polymorphism) en het krijgt zijn eigen codenaam, meestal een letter gevolgd door een cijfer, b.v.: M106. Haplogroep Er zijn in de geschiedenis van de mens een twintigtal duidelijke mutaties in het Y chromosoom ontstaan en deze hebben daardoor geleid tot twintig verschillende groepen van nakomelingen, Deze groepen noemde men haplogroepen, naar het klassiek Griekse woord voor enkelvoudig: 'απλουσ omdat het een mutatie in het enige niet dubbele chromosoom, namelijk enkelvoudige Y-chromosoom betreft. Deze groepen kregen ieder een eigen letter van A t/m T. Zie de figuur aan de kop van dit artikel. Wanneer in zo'n groep weer een erfelijke mutatie optreedt ontstaat een subgroep. Aan de letter wordt dan een cijfer toegevoegd. Bij een volgende mutatie vervolgens weer een cijfer.
Subgroepen van Haplogroep G
Phylogenetische stamboom van de haplogroep G subgroepen met hun SNP's
STR of marker Chromosomen hebben actieve en inactieve gedeelten. In de inactieve delen - althans de delen waarin geen werkzaamheid wordt vermoed - komen op bepaalde plaatsen herhalingen van eiwitconfiguraties (specifieke blokjes van nucleotiden) voor. Deze worden STR's (Short Tandem Repeats) genoemd en worden eveneens van vader op zoon overgeërfd. Hiervan zijn er meer dan honderd bekend. Deze STR's zijn veel mutatiegevoeliger. Om de 5 tot twintig generaties kunnen er meer of minder herhalingen optreden. Zo'n plaats wordt benoemd naar zijn plaats op het DNA Y- Segment (DYS). Deze plaats heeft een getalswaarde. Daarachter staat achter een = teken het aantal gevonden herhalingen, b.v.: Dys19=15.
HaplotypeIeder mens heeft zijn specifieke scala markers. Dit wordt zijn haplotype genoemd. Naaste familieleden hebben meestal hetzelfde haplotype. In de verschillende takken van een familie vindt je licht verschillende haplotypen. Hoe minder verwant des te afwijkende is het type. Genetische GenealogieDe genetische genealogie kan door de haplogroepen te bestuderen die in een bevolking voorkomen de verschillende volkeren onderscheiden waaruit de huidige bevolking van dat land is opgebouwd. Door de haplotypen te vergelijken kunnen verwantschappen in een goep mensen en ook in één familie worden aangetoond. Hoe langer geleden de gemeenschappelijke voorvader leefde des te groter zijn de verschillen. Als men de mutatiesnelheid van de verschillende markers weet kan de tijd waarin hij leefde worden berekend. Wanneer de verschillende haplotypen erg groot worden zal hij duizend jaar geleden of zelfs daarvoor geleefd hebben. Met name mensen met een Joodse achtergrond hebben met deze methode opmerkelijke resultaten behaald. Ook onze familie heeft van de genetische genealogie met succes gebruik gemaakt om een genealogisch vraagstuk op te lossen. * Familiair onderzoekZowel uit de tak Marres als uit de tak Mares hebben tezamen vier mannelijke leden hun DNA laten onderzoeken. Dit waren van de tak Marres: P.J.Th. Marres en E.C.W.L. Marres en van de tak Mares: A.M.H.M. Mares en G.K.J. Mares. (2) Haplogroep G2a4* In het familiale Y-chromosoom zijn mutaties zijn vastgesteld in: M168, M89, M201, P287, P15, L224 en L225. Deze classificeerden ons in subgroep G2a4.
Het onderzoek blijft doorgaan. Nog onderzocht wordt de status van onder meer L142,2, L149 en L166, L167, en wat zich verder zal aandienen. Zie: New SNPs from the Walk through the Y Project or recent research Ga naar de alinea Tests, regel G2a4. De familie Marres wordt hier elf maal vermeld voor een mutatie. Zie ook: Haplogroup G Categories, Samples, Diagrams, Etc., meerdere besprekingen. HaplotypeHet resultaat van de nu bekende gezamenlijke 37 markers |
De markers zoals bepaald door FamilyTree-DNA en Genebase.
|
Genetische Afstanden.
|
Tijd tot de meest recente voorvaders.
|
| Tirol | Oostenrijk | 89 | Hier waren vestigingsplaatsen van Sarmaten. | |
| Nowgorodskaja | N-Rusland | 56 | Hoofdstad Nowgorod. Het is een oude handelsstad. | |
| Vojvodina | N-Servië | 32 | Was in de Romeinse tijd het zuidelijke deel van Sarmatia. | |
| Vologodskaja | N-Rusland | 25 | Hoofdstad Vologda. Hier wonen veel Oekrainers. | |
| Overig Rusland | 12 | |||
| Portugal, Cantabrië en Polen | 8 | Bij een aantal oude Poolse families is er een overlevering dat ze van Sarmatische herkomst zijn. | ||
|
III. ROOTSWEB. Dit is de database van Ancestry.com. Haplotypen zijn vergeleken op basis van 9 markers. (3) Geen markerverschil is er met 4 personen uit Duitsland, 2 Nederlanders, 2 Spanjaarden en individuen uit Macedonië, Roemenië, Noord Italië, Sicilië, Portugal en Engeland. (Inwoners van de USA met een al dan niet vermoedelijke Europese achtergrond zijn buiten beschouwing gelaten.) Al hierboven genoemde landen kunnen in verband worden gebracht met Sarmaten en Alanen. Conclusie
* De geschiedenis van haplogroep GDe Oorsprong in AfrikaDe mens is meer dan een miljoen jaren geleden in Afrika ontstaan, maar ruim 90% van alle niet Afrikanen stamt af van één man die behoorde bij een klein groepje, vermoedelijk een zestigtal, dat ongeveer 60.000 jaar geleden Afrika verliet en naar de kusten van het Arabisch schiereiland trok. Zij hadden allen de SNP mutatie M168. Ongeveer 45.000 jaar geleden ontstond in Klein Azië bij één man in zijn Y chromosoom de SNP mutatie M89, die hem plaatste in wat we nu haplogroep F noemen. Er zullen in die tijd minder dan duizend mensen in de wereld hebben geleefd. Ontstaan van Haplogroep G in Klein AziëTussen de 12 en 20.000 jaar geleden ontstond in Klein Azië, in Mesopotamië, nu Irak, mogelijk verder naar het Oosten, aan de voet van de Himalaya in de Indusvallei, bij onze stamvader de SNP mutatie M201 waardoor zijn nakomelingen in haplogroep G kwamen. De mensen daar waren inmiddels van jager-verzamelaars veefokkers en landbouwers geworden. Door de toegenomen voedselproductie en daardoor de noodzaak zich op één plaats te vestigen ontstonden de eerste nederzettingen en steden en als tweede gevolg ontstond daar een bevolkingsgroei die weer tot emigratie leidde. Van hier uit vertrokken zijn nakomelingen zo'n 10.000 jaar geleden in diverse richtingen. Een groep ging naar Europa waar de laatste ijstijd net aan zijn einde begon te komen, die het begin van het Neolithicum aankondigde. Van hen heeft men lang gedacht dat ze daar de landbouw introduceerden, maar die bestond daar toen al. Een tweede golf nakomelingen ging wat later die kant op, vooral naar Zuid Europa en zij waren de initiators van de veeteelt, van nieuwe aardewerkvormen en van een nieuwe metaaltechniek. Hiervan zijn veel vondsten gedaan rond de middellandse Zee. Onze voorouders trokken naar het warmer geworden Noorden naar Kazachstan en woonden daar vele millennia. Veel later trokken ze westwaarts naar de Russische steppen. |
Geografische verdeling van de Subgroepen van Haplogroep GHaplogroep G wordt veel gezien in bergachtige streken. In de grootste concentratie komt het voor bij de Ossetiers in de Russische republiek Noord Ossetië-Alanië waar de afstammelingen van de Alanen zich vestigden, en verder in naburige landen in de Kaukasus, voorts in bergachtige regio's tussen het Midden Oosten en India (Kaukasus, Iran, Afghanistan, Kashmir), maar ook in Centraal Azië vooral Kazachstan), Europa and Noord Afrika. G1 wordt vooral in Iran gevonden en in mindere mate in en rond Kazachstan. G2a is de dominante subgroep van haplogroep G Europeanen en wordt tussen de 5 tot 10% gezien in de landen rondom de Middellandse Zee. Plaatsen waar G2a de 10% te boven gaat zijn Cantabria, Zwitserland, Tirol, Zuid Italië (Molisa en de Apennijnen), Sardinië, Noord Griekenland (Thessalië) en Kreta. G2a1 is de nu de meest voorkomende subgroep in de Kaukasus met name in Noord-Ossetië, en deze subgroep kan door de Alaanse migratie Europa zijn ingebracht. G2a1 wordt inderdaad gevonden langs de Alaanse trekroute in Hongarije, Frankrijk en Spanje en het wordt ook in Groot Bretagne gezien. G2a2 is zeldzaam en is gevonden bij een Turk en bij enkele Europeanen. G2a3* wordt in lage frequenties in Noord-India gevonden. Het is onmiskenbaar van Indo-Europese origine en hieruit ontstonden verschillende grote subsubgroepn. G2a3a is betrekkelijk algemeen in Zuid Europa in Griekenland, Turkije en rond de Middellandse Zee. Het wordt geacht al in het Neolithicum of de Bronstijd in Europa te zijn gekomen. G2a3b zien we vooral in Noord- en West-Europa. Het moment van ontstaan wordt geschat op ongeveer 4500 jaar geleden, mogelijk te Kazachstan. G2a4* een in 2009 ontdekte subgroep waar in 2010 al weer een afscheiding, G2a4a, heeft plaats gevonden en waartoe nu als enige alleen nog een lid van de familie Marres bleef gehoren en daarmee zijn gehele familie.
Een lid van de tak Mares, heeft een haplotype dat dicht komt bij dat van de Kabardinians een buurvolk van de Noord-Ossetiers in de Noord Kaukasus: DYS390=23, DYS388=12, DYS385=13,14, Dit volk is voorlopig echter geclassificeerd als haplogroep G2a3b1. Onder de dragers van deze haplogroep bevinden zich ook veel Noord Ossetiers, verder personen uit meerdere delen van Europa, met name het eiland Ibiza en Engeland. G2a4a is dus alweer een zijtak van G2a4* door een extra mutatie. Hiertoe behoren nu ongeveer twaalf families. De helft daarvan heeft een oudst bekende voorvader in Oostenrijk en Roemenië, een gebied waar in de Romeinse tijd het land van de Sarmaten lag, vier in Duitsland hoofdzakelijk in Beieren, verder solitairen in Nederland, Sicilië, en Marokko. G2c komt veel voor bij Ashkenasische Joden, verder in en rondom Afghanistan, in het Middenoosten met name in Turkije en dan vooral bij Maronitische Christenen en ook incidenteel in Iran. Deze verspreiding wijst op zijn mogelijke oorsprong in deze streken. De helft van de Ashkenazim heeft Haplogroup J. (4) * De komst van haplogroep G naar EuropaEr zijn meerdere theorieën over de oorsprong van haplogroep G in Europa, ongetwijfeld zijn ze meer cumulatief dan exclusief. Door de snel toenemende kennis zijn ze aan veranderingen onderhevig. Neolithische boeren op de vruchtbare gronden.De verspreiding van de neolithische cultuur, die zich rond 6000 v. Chr. in Europa voltrok, is gebonden aan de vruchtbare gronden met name lössgronden. Een belangrijk kenmerk in deze streken is de homogeniteit van diverse cultuurcomponenten, plantenteelt, nederzettingstructuur, huizenbouw, begrafenisritueel, en keramiekvormen. Dit gebied reikte van Bohemen in het zuiden tot Polen, in het Noorden en over de Rein- en Maasvallei, in het Westen het bekken van Parijs. De homogeniteit van deze cultuur kan aanduiding zijn van een verspreiding door immigratie en in dit geval vanuit het Nabije Oosten waar deze evolutie in het 10e millennium v. Chr. plaats vond. De Balkan en het Mediterrane bekken volgden in het 7e millennium en Limburg rond 5.500 v. Chr. (5). De haplogroepen E1b1b, J2 en T, die eerder aankwamen, komen hier meer voor in aanmerking, tenzij wat steeds meer wordt aangenomen, de neolithische levensvorm in Noord-Europa niet het gevolg is van immigratie maar van acculturatie. (6) Neolithische herders in de bergen.Een tweede hypothese is de komst door immigratie van Neolithische herders tussen 7.000 en 4.000 jaar voor onze jaartelling vanuit Anatolië of de Kaukasus. Zij zouden schapen en geiten meegebracht hebben, die daar ongeveer 10.000 jaar geleden gedomesticeerd waren. Dit zou verklaren waarom haplogroep G vooral in bergachtige streken gevonden wordt zowel in Europa als in Azië en op de eilanden van de Middellandse Zee, waar door de geitenfokkerij de bossen verdwenen zijn. Indo-Europese metaalsmedenHaplogroep G2a is ook in verband gebracht met de verspreiding van de metaalbewerking van de Kaukasus naar Anatolië, Sardinië en de Alpen. Veel vroege Centraal- en West-Europese gemeenschappen ontwikkelden zich in de Bronstijd in ertsrijke gebieden als Ierland, Wales, Cornwall, Noord-Spanje, Portugal en de Alpen. Sommige van deze regio's hebben relatief hoge G2a niveaux, zoals Nood Portugal 12%, Cantabria 10%, Asturië and Galicië in Noord-Spanje 5%, Zwitserland 10%, Tirol 8%. Een bezwaar hiertegen is dat de G2a haplotypen in deze streken te weinig divergeren en dus pas in veel recentere tijden zijn binnengekomen. R1b1b2 mensen worden hier meer als oorzaak geduid. Verspreiding door de Romeinse legers. 1. Door Italiaanse veteranen die zich na hun diensttijd in Gallië en Groot-Brittannië vestigden en niet terugkeerden naar hun thuisland. Aannemelijk is echter dat de meesten legionairs terugkeerden naar Italië.
2. Door de Sarmatische foederati, die na hun diensttijd vestigingsplaatsen kregen aangeboden in het Rijk. In de begintijd zullen velen van hun ook naar hun thuisland Sarmatië, aan de overzijde van de Donau tegenover de provincies Pannonië, zijn teruggekeerd. Later werden groepen van hen met vrouw en kinderen gestationeerd in de grensgebieden van het Rijk. Haplogroep G zou dan meer aanwezig moeten zijn op plaatsen waar tegen het einde van het Romeinse Rijk de prefecturen van de Sarmaten waren. In Groot Brittannië en Germania Prima en Secunda. Bijvoorbeeld in Tricensimae, gelegen bij het latere Xanten en in de civitas Tungrorum, rond Tongeren en Maastricht. 3. Midden 4e eeuw krijgt de bovenlaag van de Sarmaten - waarschijnlijk de laag waaruit de auxilia werd gerecruteerd - die na een opstand van hun slaven uit Sarmatië verdreven was tijdens de interne Sarmatische oorlog asyl en wel ten zuiden van de Donau in Thracië en Macedonië en deels ook in Noord Italië. Verspreiding door de Alanen tijdens de Volksverhuizingen.Haplogroep G wordt in Europa gevonden langs de Alaanse trekroute tijdens de Volksverhuizingen in de 5e eeuw, en sterker op de plaatsen waar zij van de Romeinse overheid toestemming kregen zich te vestigen. Bekende vestigingsplaatsen in Gallië waren aan de Rhône bij Valence, boven de Loire en in Bretagne. Verder in Noord Portugal, Catalonië in Spanje, Tunesië, Sardinië en korte tijd in Sicilië. (7) * De huidige verspreiding van Haplogroep G in Eurazië
In volgorde van het percentage in de bevolking (8) |
|
Noord-Ossetië-Alanië |
74% |
|
Zuidwest-Rusland, Georgië, Kabardinië, Kaukasus |
30% |
|
Catalonië (Spanje), Noord-Sardinië, Ibiza |
20% |
|
Turkije, Cyprus, Malta en Kreta, Sardinië |
10-15% |
|
West- en Midden-Europa, waaronder Nederland. |
3-4% |
|
Noord-Europa |
2% |
|
Groot-Brittannië |
1-2% |
Opmerkelijk is de recente ontdekking |
|
|
Zuid-Limburg |
circa 35% (9) |
Bespreking
De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus. Uit de verschillende percentages van groep G in de hierboven genoemde landen, en op basis van historische bronnen en archeologische vondsten, komt duidelijk het beeld naar voren van minstens twee belangrijke verspreidingsgolven. Eén vanuit Iran naar Turkije en vervolgens naar het Oostelijk Middellandse zeebekken, een tweede vanuit Zuid-Rusland naar de Kaukasus en verder naar West- en Zuidwest-Europa. In de landen waar de Alanen zich definitief vestigden zoals in Noord-Ossetië-Alanië en op de eilanden van het Westelijke Middellandse zeebekken waar zij tegen het einde van het Romeinse Rijk hun laatste toevlucht vonden, en op plaatsen waar zij en de Sarmaten zich van de Romeinse overheid definitief mochten vestigen komt haplogroep G in hoge concentraties voor. (10) Dit geldt bij voorbeeld voor de regio rond Maastricht waar een praefectus Sarmatorum zetelde. Het is mij niet bekend of dat rond hun overige praefecturen bij Arras, Famars, Roye, Sedan en Trier ook het geval is. Het oudste graf in Europa van een tweetal dragers van haplogroep G2a, daterend uit 670 de tijd van de Merovingers, is kort geleden gevonden in Beieren. Het zijn twee krijgers die met vier anderen begraven zijn, tezamen met hun zwaard, speer, schild en sporen, dus cavaleristen. (11) In Zonen van Adam in Nederland gaat men bij de bespreking van Haplogroep G nog uit van een homogene haplogroep G en van de oude hypothese dat een groep dragers van deze Haplogroep ongeveer 10.000 jaar geleden in het Midden Oosten leefden waar zij van jager-verzamelaars landbouwers werden en daarna deze leefwijze over het Midden-Oosten en Europa hebben verspreid. Andere leden van deze Haplogroep zouden dan naar de steppen van Rusland zijn gegaan en veehoudende nomaden gebleven zijn. Deze hypothese is gebaseerd op vroegere zienswijzen. (12) SamenvattingDe genetica is thans in staat mutaties in het genoom exacter te dateren. De jongste mutatie heeft zich voorgedaan na het ontstaan van de Europese landbouw. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat er in het Neolithische tijdperk migratiegolven van betekenis zijn geweest. Thans wordt aangenomen dat deze nieuwe vaardigheid niet door migratie is doorgegeven, maar in Europa op meerdere plaatsen door cultuurcontacten is ontstaan. Haplogroep G ontbreekt ook zo goed al geheel in de landbouwgebieden van Noord-Europa met een oude landbouwcultuur. Wanneer er een immigratiegolf geweest is kan deze plaats gevonden hebben in de Bronstijd, enige millennia v. Chr. Mogelijk is hier de aanwezigheid, in kleine percentages, op de kusten van het Oostelijke Middellandse Zeebekken door te verklaren. De hypothese is dat Haplogroep G in Noord-Europa afkomstig is door een afstamming van Romeinse soldaten, die zich na hun diensttijd in Gallië en België hebben gevestigd, gaat uit van een ruime aanwezigheid van deze haplogroep in Italië in de begintijd van het Romeinse rijk, maar die is er niet. De meest waarschijnlijke en historisch goed te onderbouwen verklaring van de opkomst van haplogroep G in West-Europa is door de binnenkomst via de Alano-Sarmaten.
N.B.: Het zeer hoge percentage van 75% in het gebied van het oude koninkrijk Alanië, nu de republiek Noord-Ossetië-Alanië, in de Kaukasus kan vergelijkingsmateriaal bieden voor de differentiering van de haplotype tussen Sarmaten en Alanen. ConclusieDe haplogroep van de Maastrichtse familie Marres / Mares is door genetisch onderzoek vastgesteld op Haplogroep G2a4 en wordt nog nader onderzocht. Hun Haplotypen zijn het meest in overeenstemming met de haplogroep G dragers in Hongarije en Vojvodina in Servië, de landstreek waar de Sarmaten gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling gevestigd waren, verder in Tirol, nabij Noord Italië, waar veel Sarmaten bij de inval van de Hunnen naar toevluchtten en voorts in handelssteden in Noord Rusland, waar Oekraïense kooplieden zich vestigden. De haplotypen van de huidige bewoners van de Krim, waar de Alanen een koninkrijk hadden, en van Noord-Portugal, Andalusië en Cantabria in Noord-Spanje en Sardinië, landen waar de Alanen gevestigd waren wijken iets meer af. Het onderzoek is echter nog niet afgerond en we verwachten verdere determinering zowel van de familie als van nakomelingen van vermoedelijke stamgenoten. Het zou interessant zijn om met deze techniek familierelaties te traceren met families die namen dragen als Marees, Mores, Moorrees, Marets, Moers, Moors, Maurissen, Moreau, Moreaux, etc. al dan niet voorafgegaan door het voorzetsel de of des, of met families met een geheel andere naam, waarmee een gemeenschappelijke stamvader bestaat in een tijd dat achternamen nog niet gebruikelijk waren. |
*
Maternale Haplogroep I1a1De maternale haplogroep wordt bepaald uit de celmitochondrieën. Het hierin aanwezige DNA is afkomstig van de moederlijke eicel. De mannelijke zaadcel levert nauwelijks of geen materiaal. Bij één lid van de familie Marres is dit mitochondriale DNA onderzocht dat verder dus alleen te vinden is bij zijn voormoeders van moederszijde en dus ook bij die van zijn zuster en ook bij de kinderen van zijn tante van moederszijde en voorts bij de nakomelingen van zijn oudtantes van moeders-moederszijde via hun dochters enz.
Deze Haplogroep heeft zijn grootste concentratie in Europa met een hotspot in Noorwegen. Het maximum ligt daar in de provincies Buskerud, Hordaland, Fuordane en Opland. Het wordt geleidelijk minder in midden Noorwegen en Zweden.
Het lijkt wel een samengaan van Sarmatische en Viking genen. |
|
|
|