|
MARRES - MARES ARCHEOGENETICA
|
|
GENETICAGenetica of erfelijkheidsleer is een onderdeel van de biologie en onderzoekt de wetmatigheden van de overerving. Een tak hiervan is de populatiegenetica die de verdeling van genen in populaties van mensen, planten en dieren bestudeert. De Antropogenetica onderzoekt erfelijke ziekten van mensen, is er voor vaderschaps- en tweelingonderzoek, en voor daderopsporing. Wanneer genetica gebruikt wordt voor genealogisch of verwantschapsonderzoek noemen we het Genetische Genealogie. De moleculaire genetica bestudeert de materiële structuur van het gen, de drager van de erfelijke eigenschappen, opgesloten in het DNA (Engels: Desoxyribo Nucleic Acid) in het Nederlands: Desoxyribonucleïnezuur. DNA is de drager van de erfelijke eigenschappen voor plant en dier. Het bevindt zich in de kern van iedere lichaamscel op de chromosomen. De mens heeft er 23. Het is dubbel aangelegd, dus er zijn 23 chromosomenparen. Hiervan zijn er 22 exact aan elkaar. Er is één paar dat verschillend is. Dit chromosoom heeft een X en een Y variant. Met een X paar (XX) ben je een vrouw. Heb een X en een Y (XY) dan ben je een man. Dubbel Y (YY) bestaat niet. Het interessante voor de genealoog is dat het Y-chromosoom steeds overerft van vader op zoon. Het X komt van zijn moeder. MtDNA, het mitochondriale DNA is erfelijk materiaal dat niet op chromosomen maar op kleine partikeltjes in de vrouwelijke eicel ligt, de mitochondriën. Dit DNA vererft dus (hoofdzakelijk) van moeder op dochter. Wanneer familienamen via de moeder gaan vererven wordt dit gedeelte bruikbaar voor genealogen. Het is wel zeer belangrijk voor de Ethnografische genetica c.q. de Archeogenetica. De geschiedenis van volkeren is na te gaan aan hun verschillen in de diverse DNA-soorten. Er zijn nog andere DNA soorten maar bespreking daarvan wordt te veel. Wanneer het DNA altijd onveranderd zou zijn overgeërfd zou het in alle opzichten onbruikbaar zijn. Er zou geen evolutie hebben plaats gevonden. In ieder generatie vindt echter wel een kleine en soms een grote verandering, een mutatie plaats, en daardoor is de grote verscheidenheid in planten en dieren ontstaan. Hoe minder verschillen er zijn tussen twee individuen des te groter is de genetische verwantschap. In het laatste deel van de geschiedenis van de mens, in de laatste honderdduizend jaar, is er een twintigtal wezenlijke mutaties in het Y chromosoom ontstaan. Voor deze mutaties gebruiken we de Engelse afkorting SNP, Single Nucleide Polymorphisme. De nakomelingen van de mannen gaven deze mutatie door aan hun zonen. Zo'n groep nakomelingen noemt men een haplogroep (1). Iedere haplogroep kreeg een eigen letter, van A t/m T. Zie de figuur aan de kop van dit artikel. Wanneer in zo'n groep weer een mutatie optreedt ontstaat een subgroep. Aan de letter wordt dan een cijfer toegevoegd, bij een volgende mutatie weer een letter enz. Een haplotype is de verzameling makerwaarden van het Y chromosoom van een persoon. In principe is het haplotype van de vader gelijk aan dat van zijn zoon, maar eens in de zoveel generaties treedt er een mutatie op. Van de afzonderlijke markers weet men onderhand om de hoeveel tijd een verandering optreedt. Sommigen markers doen het zelden, anderen veel vaker. Aan de aard van de verschillen tussen de haplotypen kan men de mate van verwantschap in een familie aantonen. Men kan ook de mate van verwantschap met andere families van licht afwijkende haplotypen bepalen en de vermoedelijke tijd van de gemeenschappelijke voorvader berekenen. De afzonderlijke plaatsen op het chromosoom heten markers. Hiervoor wordt de Engelse afkorting STR, Short Tandem Repeat, gebruikt. Deze staan in segmenten die worden benoemd naar hun plaats op het chromosoom. DYS 393 = 14 betekent dat het DNA Y segment 393 een waarde 14 heeft. Het betreft hier het aantal waargenomen herhalingen van een nucleotide patroon, Dit patroon heeft een lengte van 2 tot 50 basenparen. ArcheogeneticaArcheogenetica is een tak van wetenschap die de geschiedenis van volkeren bestudeert aan de hand van hun genetische samenstelling. Archeogenetici werken hiervoor samen met archeologen. Hun onderzoek toonde aan dat de mens meer dan een miljoen jaren geleden in Afrika is ontstaan. De man waarvan alle mensen afstammen leefde daar ongeveer 150.000 jaar geleden. (2). Bijna alle huidige niet Afrikanen stammen uit een man (met de mutatie M168) die behoorde bij een klein groepje, vermoedelijk een zestigtal, dat ongeveer 100.000 jaar geleden Afrika verliet en zich in Voor-Azië vestigde. De bevolkingsgroei ging zeer geleidelijk. Het zal tientallen millennia geduurd hebben voordat groepen verder trokken. Uit deze pioniers zijn de verschillende Europese en Aziatische volkeren ontstaan. HaplogroepenRuw geschat zo'n 50.000 jaar geleden ontstond waarschijnlijk in Klein Azië of Noord-India bij één man een mutatie (M89) die hem plaatste in wat we nu haplogroep F noemen. Er zullen in die tijd enige duizenden mensen in de wereld hebben geleefd. Uit hun sproten alle in Europa, Azië, Amerika en Australië bestaande haplogroepen. (3) In West-Europa behoort twee derde van de bevolking tot haplogroep R en 20% tot Haplogroep I. Daarna volgt haplogroep J bij 6% en in volgorde van dalende grootte E en G. Alle andere haplogroepen zijn tezamen met minder dan 1% onder de Europese bevolking vertegenwoordigd. Haplogroep GDit verhaal zal zich vanaf hier beperken tot de familiale haplogroep G en zijn ondergroepen. |
|
Blijkens de meest recente gegevens is G 37.000 jaar geleden en mogelijk zelfs al eerder in Voor-Azië ontstaan. Deze regio en deze datum wordt geschat aan de hand van het aantal en de verdeling van verschillende kleine en grote mutaties in de G populaties van de wereld en de percentages G en zijn subcladen in de diverse volkeren. Rechts staat een kaart van Europa en Klein Azië die de regio van ontstaan van haplogroep G aangeeft. Deze kaart is weliswaar gereconstrueerd uit het MtDNA van neolithische Europese grafvelden, maar ze geeft ook het ontstaansgebied van G goed weer. De groene kleur correspondeert met haplogroep G. (4) |
|
|
De ontstaansregio ligt in Voor-Azië in Mesopotamië, gelegen tussen de rivieren de Eufraat en Tigris. Dit gebied was met Egypte een van de twee eerste cultuurcentra de wereld. Het werd bekend onder de naam De Vruchtbare Halvemaan. Hier kreeg een man de mutatie die hen in haplogroep G plaatste. Zijn nakomelingen leefden in confederaties van nomadische stammen die rondtrokken van Palestina tot aan de Indus. Haplogroep G splitste zich rond 20.000 jaar geleden in twee subgroepen G1 en G2. Deze subgroepen splitsten zich daarna weer in vele ondergroepen. G1 is de kleinste van de twee en heeft zich ook het minst vertakt. De grootste hoofdsubgroep is G2a, een stuk kleiner is G2c. |
De Phylogenetische stamboom van de haplogroep G subgroepen en hun mutaties.
De rode stip geeft de subgroep van de familie Marres/Mares aan. |
|
* De Verspreiding van Haplogroep G over Europa en Voor-Azië.
Enige percentages van de huidige verspreiding van Haplogroep G in Eurazië
|
|
Noord-Ossetië-Alanië |
75 % |
|
Kaukasus, Georgië, Kabardinië, Azerbeidzjan |
30 % |
|
Catalonië (Sp.), Noord-Sardinië en Ibiza (It.) en de Kalash in Noord-Pakistan |
20 % |
|
Armenië, Cyprus, Kreta, en Kroatië (stad Osijek) in het Dravadal |
10-15 % |
|
Italië, Turkije, Israël zowel Joden als Palestijnen |
10 % |
|
Graz, aan zijrivier van de Drava (Oostenrijk) (6) |
9 % |
|
Tirol (Oostenrijk) (7) |
7 % |
|
West- en Midden-Europa, Berbers (Marokko), Nederland, ook Brabant (8) |
3-4 % |
|
Noord-Europa, Noordoost-Europa, Rusland en Groot-Brittannië |
1-2 % |
De Verdeling van de G subgroepen over de wereld.G1 Ontstaan circa 16.000 jaar geleden. Komt het meest voor in Iran bij 4% van de bevolking met dalende percentages in omringende landen tot in Zuid Azië. Komen ook verspreid over Europa voor met een Noordoost Europees Asjkenasisch Joods cluster. G1a Ontstaan circa 6000 v.c. Heeft zijn hoogste concentratie van 87% bij de Magyaren in Turgayskaya oblast (Turgai) in Kazachstan. Verder wordt het gevonden in, Noord-Ossetië. In geringe concentraties verspreid over Europa en het Midden-Oosten Enkele incidentele gevallen gevonden in Zuid-Azië en Noordwest-China. G1a1 Ontstaan tussen 1000 en 3000 jaar geleden. Vooral gevonden bij Amerikaanse joden van Noordoost Europese Asjkenasisch joods herkomst. G1a1a Eveneens hierin een Noordoost Europees Asjkenasisch Joods cluster. G1a2 Kan 500 jaar geleden maar ook al 2000 v.c. ontstaan zijn. Enkelen in Zwitserland en Ierland. G1a3 Ontstaan circa 2500 v.c. In Kazachstan bij de Buryaten met hun hoofdstaf Alan-Ude G1a4 Ouder dan 3000 jaar v.c. Aantallen in Irak, Iran en Turkije. G1a4a In Afganistan en Palestina. G1a6 Bij Asjkenazische Joden uit Centraal en Noordoost Europa G1b Toevalsbevinding bij één man uit Sri Lanka. Deze 'groep' wil men opheffen. G1c Kan 800 jaar geleden maar ook al 1000 v.c. ontstaan zijn. Gevonden in Europa en Azië. G2 Ontstond circa 14.000 v.c. Hiervan zijn er enkele niet verder gemuteerde personen in de Noordelijke Kaukasus, aan de westkant bij de Adygen en aan de oostzijde bij de Dagestanen. Is hier waarschijnlijk ontstaan. Bijna allen zijn in subgroepen onder te brengen. G2a Ontstaan circa 12.000 v.c. Het oudste staal, gedateerd op 3000 jaar v.c., is gevonden in Treilles, Languedoc Roussillon, Frankrijk. Zij worden geacht de eerste Indo-Europese sprekers in West-Europa en in de hoogste kasten van India te zijn. Bij 90% zijn later mutaties ontstaan. Tien procent is ongemuteerd of de subgroep is nog niet bepaald. De leden van deze groep leven verspreid over de gehele wereld. Ze zijn tot nu toe gevonden in Nederland, België, Frankrijk, Groot Brittannië, Hongarije, het Iberisch Schiereiland, Armenië, Assyrië, Egypte, Oezbekistan, de Oekraïne, Noord-Ossetië, bij de Kalash in Noord-Pakistan en de Brahmanen in India. (9) G2a1 en G2a1a Ontstaan circa 2000 v.c. Heeft zijn hoogste concentratie in de Kaukasus met name Noord-Ossetië-Alanië en komt elders maar incidenteel voor zoals in Georgië, Bulgarije, West-Rusland, Roemenië en Hongarije, Libië en Engeland, Iran, Libanon, bij Grieks orthodoxe christenen die hun afkomst opvoeren tot in het Assyrische Rijk, dus het pre-Arabische en pre-islamitische Mesopotamië. en in een cluster Noordoost Europese Asjkenasisch Joodse mannen. G2a1a1 Ontstaan in de eerste eeuwen n.c. Er is een groep in Oost-Europa en een staal uit Libië. G2a1a1a Ontstaan in de vroege middeleeuwen. Veel in Noord-Ossetië en een staal uit Georgië. G2a1a1b Ossetiers en een staal uit Armenië. G2a1a2 Ontstaan in de middeleeuwen of het millennium daarvoor. Bij Joden afkomstig uit Centraal- en Oost-Europa. G2a2 (L223). Ontstond mogelijk rond 6000 v.c. Hiertoe behoort de familie Marres / Mares uit Maastricht. Verder behoort een Schot tot deze groep en zeer waarschijnlijk maar nog niet bewezen: nog een Limburger, en een familie uit Gelderland, een uit de provincie Namen, enkelen in Duitsland, een Sloveen, enkele Britten, en een aantal families rond de Middellandse zee: uit Griekenland, Spanje en Turkije en uit Noord Afrika: Tunesië en Marokko. Allen, behalve de Schot, kunnen na verder onderzoek nog in een subgroep terecht komen. Ruim 50% van de stalen uit Ardon in Alanië-Noord-Ossetië lijkt qua haplotype op G2a2. G2a2a (M286). Ontstond circa 1000 à 3000 v.c. Deze subgroep komt voor op de Britse eilanden, met name in Schotland en in Turkije. |
|
G2a2b Ontstaan circa 4.000 - 5.000 v.c. Hiertoe behoren een aantal families die nu wonen in Nederland, Duitsland, Hongarije, Tsjechië, Macedonië, Griekenland, Sardinië, Sicilië, Tunesië, Marokko, waaronder het koningshuis van de Aloui Dynastie, Turkije en India. De mummie van een man die 3.300 jaar v.c. leefde, dus in de Kopertijd, behoort ook tot deze subgroep. Zie verderop bij Archeologie. |
|
G2a3 Ontstaan circa 8.000 v.c. Is verreweg De grootse groep in Europa, hier bij 90% van de G mannen. Het oudste staal is van circa 5.000 v.c. en is gevonden in Derenburg, Duitsland. Omdat de splitsing tussen het meeste Europese G en dat van hun tegenhangers in Iran, Armenië, Ossetië etc., blijkens hun haplotype, op de helft van die tijd wordt berekend, lijkt het hier een eerdere aftakking en niet de voorvader van een significante groep huidige Europese G personen te betreffen. (10) G2a3a Ontstaan circa 7.000 v.c. Dit is de subgroep van Voor-Azië en Zuid-Europa. Van de G mannen is het aandeel hiervan in Irak, Turkije en Griekenland en de Balearen circa 50%, Georgië 25%, Italië 20%, Spanje en Nederland 15%, Zwitserland 8%, Iran 6% , Polen en Frankrijk en Groot-Brittannië 4%.
G2a3b Ontstaan circa 8.000 v.c. Dit is de subgroep van de Kaukasus en Noord Europa, Ontstaan in de Kaukasus. De meesten Noord-Europeanen behoren tot subgroepen hiervan. Ook enkelen in India. Is waarschijnlijk verspreid door de Sarmaten. G2a3b1 Ontstaan circa 7.500 v.c. Er zijn hoge percentages in de Noord-Kaukasus bij Karbadiniers, Adyghen, Avaren en Ingoesjetiërs bij de meerderheid van de G mannen van Rusland en Europa. Een zeer hoog percentage is er op het eiland Ibiza. Lage percentages worden gevonden ten zuiden van de Kaukasus, in Iran en het Midden-Oosten, en ook in India bij Brahmanen. Bij een bepaald haplotype is het Asjkenasisch Joods. G2a3b1a Ontstaan circa 2.000 v.c. Hiertoe behoort circa 80% van het Europese G.
G2a3b1a1 Ontstaan circa 1.000 v.c. Bij de Adyghen, in de Noordwest Kaukasus. Bereikt daar meer dan 50 %. G2a3b1a1a In de Middeleeuwen ontstaan. Het wordt gevonden bij Duitsers, Fransen, Zwitsers, Noord-Italianen en Britten. De Asjkenazische Joden onder hen hebben DYS588=13 en vaak ook DYS568=9. G2a3b1a2. Ontstaan circa 2.000 v.c. Allen hebben DYS388=13. Dit is de meest voorkomende subgroep in Europa. Van de G mannen is het aandeel hiervan in Zwitserland 75%, Spanje, Frankrijk en Duitsland 60%, Groot Brittannië 52%, Nederland en Italië 44%. Recent ook vastgesteld op het Griekse eiland Lemnos. Er zijn subgroepen. G2a3b1a3 Ontstaan wat eerder dan 1000 v.c. is een relatief kleine groep op de Britse Eilanden met veel verschillende achternamen en een gemeenschappelijke voorvader ergens in de middeleeuwen. G2a3b2 Ontstaan 2.000 v.c. Vooral op de Britse eilanden. De Ieren hebben een gemeenschappelijke voorvader in de middeleeuwen. G2a4 Op de Britse eilanden. G2a6 Rusland, Duitsland, Turkije, Jemen, Israël (Joods), Tirol, Sardinië, Iberisch Schiereiland. G2a7 Ontstaan circa 1 à 2 millennia v.c. Wordt gevonden in Noord-Ossetië, Karbadinië, Belarus (Wit-Rusland), Turkije, Duitsland, Italië, Iberisch Schiereiland. G2a8 Italianen. G2a9 Armenen. G2b Bij één Turkse familie. G2c Ontstaan circa 2.000 v.c. Het komt in Afghanistan, het Midden-Oosten met name in Turkije en dan vooral bij Maronitische Christenen en ook incidenteel in Iran.
G2c1 Ontstaan 500 v.c. Gevonden bij de Pathanen (Pashtun) in Afganistan en Pakistan. G2c2 Ontstaan 1800 jaar geleden. Bij Asjkenazim. G2c2a Ontstaan 500 jaar geleden. Bij Asjkenazim. G2d Noordelijke Méditerranée. (11) * ARCHEOLOGISCHE GENETICAÖtzenthal Tirol OostenrijkHet oudste haplotype G dat we nu kennen is vastgesteld in de IJsmummie die ruim een decennium geleden gevonden is in een gletcher aan het einde van het Ötzenthal in Tirol in Oostenrijk. Hij dateert uit de laatste periode van het neolithicum, de Kopertijd. De ouderdom is berekend op 5.300 jaar, dat is dus 3.300 jaar v.c. Hij is in 1991 gevonden aan de rand van een gletcher aan het eind van het Ötztal in de Ötztaleralpen in Tirol Oostenrijk. Hij is de oudste menselijke mummie die in Europa is gevonden en is goed geconserveerd door het gletcherijs en wordt daarom de ijsmummie genoemd. Naar zijn vindplaats wordt hij Ötzi genoemd. Hij was 1,59 cm lang. Hij droeg een boog bij zich van 183 cm en had ook een koperen bijl. Zijn ogen en haren waren bruin en hij was lactase-intolerant. Hij was waarschijnlijk een jager. (12) Verwacht wordt dat zijn DNA-gegevens binnen afzienbare tijd in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd zullen worden. Hier zullen ze dan ook worden vermeld. Bekend is al dat hij behoort tot haplogroep G2a2b. (13) Deze subgroep is een zeer zeldzaam. Hiertoe behoren vooralsnog slechts minder dan honderd mensen. |
De ijsmummi Ötzi |
De reconstructie van de mummie uit het Ötzenthal (14) |
| Dysplaats | 393 | 390 | 19 (394) |
391 | 385 a |
385 b |
426 | 388 | 439 | 389 i |
392 | 389 ii |
458 | 459 a |
459 b |
455 | 454 | 447 | 437 | 448 | 449 | 464 a |
464 b |
464 c |
464 d |
460 | GATA H4 |
YCA IIa |
YCA IIb |
456 | 607 | 576 | 570 | CDY a |
CDY b |
442 | 438 | 531 | 578 | 590 | 537 | 641 | 472 | 511 | 413 a |
413 b |
557 | 436 | 534 | 450 |
| Dijswaarde | W | I | J | . | B | L | I | J | V | E | N | . | . | G | E | D | U | L | D | I | G | . | . | W | A | C | H | T | E | N | . | . | O | P | . | . | D | E | . | U | I | T | S | L | A | G | E | N | . | . |
|
* Derenburg Duitsland |
|
Een van de vele Hunebedden bij Derenburg |
De dode was begraven met zijn hoofd naar het oosten op zijn linkerzijde. |
|
Het oudste archeologisch gevonden DNA waarvan in het Y-chromosoom de haplogroep G vastgesteld is komt uit een groot neolitisch grafveld te Derenburg in Saxen-Anhalt (Dld). Het wordt gedateerd tussen 5.000 en 5.500 v.c. Bij drie mannen konden de betreffende SNP's bepaald worden. Twee mannen hadden haplogroep F. Eén man had G2a3. Er zijn geen haplotypes bepaald. (15) * Treilles (Fr.)Recent is een groot neolitisch grafveld gevonden in Treilles, Languedoc-Roussillon, daterend 3000 v.c. Twintig van de vijf en twintig mannen, dus 80%, hadden op basis van hun markerwaarden G2a. Zij hadden allen hetzelfde haplotype en waren dus nauw verwante familieleden. De overige 20% had R1b en E1b1b. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De markers van Treille (16) * Ergoldingen (Dld)In een vroegmiddeleeuws graf te Ergolding in Beieren (Dld), gedateerd rond 670, de tijd van de Merovingers werden een tweetal dragers van haplogroep G2a gevonden. Het zijn twee krijgers die met vier anderen begraven zijn, tezamen met hun zwaard, speer, schild en sporen, dus cavaleristen. |
| Dysplaats | 393 | 19 | 391 | 385a | 385b | 426 | 388 | 439 | 389 I | 392 | 389 II | 458 | 459a | 459b | 447 | 437 | 448 | 449 | GATA H4 |
438 |
| Dyswaarde Krijger 1 | 14 | 14-15 | 11 | 13 | 11 | 12 | 11 | 29 | 16 | 9 | 9 | 23 | 16 | 10 | ||||||
| Dyswaarde Krijger 2 | 13 | 10 | 15 | 15 | 11 | 12 | 12 | 11 | 29 | 19 | 9 | 9 | 22 | 27 | 12 | 11 |
|
De markers van de Beierse krijgers uit de zevende eeuw (18) |
|
* Het Franse koningshuis |
Maximilien Bourdalouë le 21 de
|
Een oude familie uit Bologna is sinds lange tijd in het bezit van de hiernaast afgebeelde kalebas met gepyrografeerde teksten en portretten van figuren uit de Franse revolutie. Deze pompoen is 23 cm hoog. Hierop staat onder meer de tekst: Maximilien Bourdalouë doopte op 21 januari 1793 zijn zakdoek in het bloed van Lodewijk XVI na zijn onthoofding. Er bevindt zich geen zakdoek meer in, maar aan de wanden kleeft een zwarte substantie. De eigenaren die anoniem blijven, hebben deze substantie zowel in Italië als in Spanje laten testen in respectievelijk de Universiteit van Bologna en het Institut de Biologia Evolutiva te Barcelona. Het blijkt menselijk bloed te zijn. Het is van een man en uit het Y-chromosoom is een haplotype van Haplogroep G2a bepaald van een type dat nogal afwijkend is van de tot nu toe bekende. Voorts vond men de SNP HERC2, die compatibel is met blauwe ogen en ook stelde men de weinig voorkomende mitochondriale haplogroep N1b vast, met niet eerder beschreven modificaties. Er is geen enkele zekerheid dat dit bloed ook werkelijk van Lodewijk XVI is. (20) Het wachten is op het DNA van een familielid uit een van de vele Bourbontakken. Of uit een bastaardtak. Ook in Nederland leeft zo'n afstammeling. |
|
De Franse koning Lodewijk XVI heeft mogelijk G2a. Zijn oudste voorvader is Chrodobert van de Haspengouw, graaf van Worms en de Reingouw, 770-807, die waarschijnlijk in rechte lijn afstamde van Charibert van de Haspengouw, 575-636. |
| Dysplaats | 393 | 390 | 19 | 391 | 385a | 385b | 439 | 389 I | 392 | 389 II | 458 | 437 | 448 | GATA H4 |
456 | 438 | 635 |
| Dijswaarde | 14 | 22 | 15 | 10 | 13 | 18 | 12 | 12 | 11 | 30 | 21 | 15 | 21 | 12 | 15 | 10 | 21 |
|
De markers van Louis seize Roi de France (21) * |
Hypothesen over de komst van Haplogroep G in Azië en EuropaVoorlopersEr zullen steeds mensen uit de ontstaansregio in Voor-Azië vertrokken zijn. Het oudste staal G, zeer waarschijnlijk G2a, is vastgesteld bij een man in een circa 7000 jaar oud graf te Derenburg in Saxen-Anhalt (Dld.). Het daarop volgende is dat van Ötzi 5300 jaar geleden, dus 3.300 jaar v.c. Hij had G2a2. Uit latere perioden worden nu ook steeds meer vondsten gemeld. Het is zeer waarschijnlijk dat er een voortdurende infiltratie geweest is vanuit het oorsprongsgebied Iran, Armenië etc. en later zeer zeker ook vanuit de streken waar zij zich daarna hadden gevestigd zoals de Oekraïne in Zuid-Rusland. (22) Nomadische veetelers en handelaars in het MesolithicumEen decennium geleden werd gemeend, zonder dat daar enig bewijs voor was, dat G in Europa arriveerde in het begin van het neolithicum, het tijdperk waarin men van jagen en verzamelen overging op landbouw en veeteelt. Zelfs in een recent werk wordt deze haplogroep in Europa nog geassocieerd met de Neolithische expansie bij de introductie van de landbouw in het 6e millennium v.c.. In Zuid-Limburg was dat rond 5.500 v.c. (23). Het is nu duidelijk dat haplogroep G al voor die tijd hier aanwezig was. De neolithische cultuur veroorzaakte een snelle bevolkingsgroei. Deze groei is ook vastgesteld tussen Keulen en Maastricht. (24) Wanneer deze zo succesvolle verbetering van het bestaan gebracht was door dragers van Haplogroep G zouden hun nakomelingen een veel groter deel van de bevolking op de landbouwgebieden, de Löss gebieden, van Europa moeten uitmaken dan de luttele procenten die er nu van zijn. De bijna afwezigheid van G op de Noord-Europese landbouwgronden is het duidelijkste bewijs voor de onwaarschijnlijkheid van deze theorie. Haplogroep R1b is voor het ontstaan van deze nieuwe cultuur een veel betere kandidaat. Het heeft er alle schijn van dat de oudste bewoners van Europa door deze nieuwkomers naar de periferie zijn gedrongen. De betrekkelijk hoge aanwezigheid van G in sommige bergregio's is hiermee te verklaren. (25)
De recent gevonden hoge percentages G op de Lössgronden van Nederlands en Belgisch Limburg zijn alleen een aanwijzing wanneer deze op het gehele Europese lössgebied gevonden worden. Zo niet, dan liggen andere verklaringen meer voor de hand zoals de ligging aan de vroegere noordgrens van het Romeinse Rijk, die van het jaar 300 tot aan de ondergang van het Rijk gevormd werd door de heerbaan de Via Belgica. Deze liep van Keulen over Aken, Maastricht, Tongeren en Kamerijk naar het huidige Boulogne-sur-mer. In België dus ongeveer langs de huidige taalgrens. Dit zal verderop behandeld worden. (26) Huidige opvattingenMen denkt nu steeds dat G tot de vroege kolonisators van Europa behoorde en later overspoeld is door nieuwkomers. Later kwam G waarschijnlijk ook met de volgende golven. Immigratie vanuit AnatoliëIn Zuid-Europa kan G vanuit Anatolië binnen gekomen en zich, wellicht door de Phoeniciërs, via de handelssteden op de kusten van Noord-Afrika en de eilanden van Griekenland en Zuid-Italië langs de kusten van de Middellandse Zee verspreid hebben. Hier domineert G2a3a. Een Alaanse herkomst is ook mogelijk door verspreiding via het Vandaals-Alaanse rijk in Noord-Afrika. Gezien de hoge G percentages in Oost-Zwitserland en Noord-Italië vermoedt men dat de Raetiërs G hadden. (27) Verspreiding met de Romeinse legioenen door beroepssoldaten van vreemde origine.Legioensoldaten kregen na hun twintigjarige diensttijd een stuk land. De Italianen in hun geboorteland Italië. Gedemobiliseerde veteranen van vreemde hulptroepen zoals Sarmaten en Raetiërs kregen na hun diensttijd het Romeins burgerschap en land op plaatsen waar ze het laatst hadden gediend en waar hun vrouw en kinderen leefden, meestal aan de grenzen van het Rijk. De noordgrens van het Rijk liep van de Rijn bij Keulen door Aken, Maastricht, waar een fort was, Tongeren (Atuatuca), dat het administratieve centrum van de civitas Tungrorum en een garnizoenstad was en dat een prefectuur had van de hulptroepen, naar de Kanaalkust bij Boulogne. In Zuid-Engeland zijn archeologische vondsten gedaan van hun graven. Het is mij niet bekend of veteranen ook land kregen in het Rijnland en de Elzas, zeker wel was dat het geval ten zuiden van de Donau in Servië en Bulgarije. (28) Asiel van Sarmaten in het Oost-Romeinse rijk In het midden van de 4e eeuw wordt een militaire bovenlaag, waaruit de auxilia, de Romeinse hulptroepen, werden gerecruteerd uit Sarmatië verdreven bij een interne opstand de interne Sarmatische oorlog.
Verspreiding door de Alanen tijdens de Volksverhuizingen.Haplogroep G wordt in Europa gevonden langs de Alaanse trekroute tijdens de Volksverhuizingen in de 5e eeuw, en sterker op de plaatsen waar zij van de Romeinse overheid toestemming kregen zich te vestigen. Bekende vestigingsplaatsen in Gallië waren aan de Rhône bij Valence, boven de Loire en in Bretagne. Verder in Noord-Portugal, Catalonië in Spanje, Tunesië, Sardinië en korte tijd in Sicilië. (30) (31) Bij de inval van de Goten trokken de Alanen die bij de Don woonden weg uit de Oekraïne en gingen naar de Kaukasus waar nu Noord-Ossetië-Alanië ligt.
De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus.
* Genetische GenealogieDe genetische genealogie maakt gebruik van de veel vaker voorkomende kleine mutaties in de 'stille gedeelten' van het Y-DNA. Dit worden markers genoemd. Zo'n marker is bijvoorbeeld DYS 19=15. Dat wil zeggen dat op het DNA Y Segment op locus 19 vijftien repetities zijn. Dit is specifiek voor deze geteste persoon en zijn naaste familie. (32). Hoe groter het aantal markers is dat getest wordt des te exacter is wordt het resultaat. De groep markerwaarden van een persoon noemt men zijn haplotype. In de verschillende takken van een familie vindt je kleine verschillen. Hoe verder de verwantschap des te groter het verschil. Bij families met dezelfde of gelijkluidende achternamen kan men zo nagaan of zij een gemeenschappelijke stamvader hebben en dus verschillende takken van één familie zijn. Aan de grootte van de verschillen kan berekend worden wanneer de gemeenschappelijke stamvader geboren moet zijn. Hierbij worden ruime marges aangehouden want in sommige families zie je meer mutaties dan in andere. De familiale haplogroep en haar haplotypen worden besproken op Het DNA van de familie. |
Comparing Ancient and Modern DNA Variability
International Conference -- Porto (Portugal), 23-25 November 2011 |
||
|
|
||