Sarmatisch sieraad

Gouden Dolfijnfibula, Sarmatisch, 1e eeuw. (1)

DE GESCHIEDENIS VAN

DE FAMILIE

MARRES / MARES

Sarmatische spiraal armband met dierenfries

Gouden Spiraalarmband, Sarmatisch, 1e eeuw. (2)

Van klein Azië naar Kazachstan

Onze voorouders leefden een tiental millennia geleden in een confederatie van Noord-Iraanse, nomadische stammen die in Voorazië leefden van Mesopotamië tot aan de Indusvallei in de Punjab. Na enige millennia werden zij sedentair en trokken, waarschijnlijk als gevolg van overbevolking, noordwaarts naar Kazachstan.

Zij bleven daar hun oorspronkelijke Iraanse taal spreken aangevuld met Indische invloeden. Dit wordt nu het Indo-Iraans genoemd. Deze taal leeft nog voort in het Ossetisch, de taal van het huidige Ossetië, waar een aantal van hen zich rond het begin van onze jaartelling definitief heeft gevestigd.

Op de steppen van Kazachstan, oostelijk van de Oeral tot aan het Baikalmeer, verlieten onze voorouders hun sedentaire leefwijze en werden weer nomaden. Zij hielden zich bezig met veeteelt en handel. Het klimaat maakte landbouw minder produktief. Hun kudden dreven ze te paard noord- en zuidwaarts afhankelijk van de seizoenen, en ze waren goede strijders ter bescherming van hun levende have. Hier zijn hun oudste archeologische resten gevonden, hun graven (kurhans) uit 9e-8e eeuw v.c. De meegegeven voorwerpen zijn duidelijk Indo-Europees en worden door de meeste archeologen als de tussenschakels gezien van hun toenmalige cultuur en die van hun nakomelingen de latere Sauromaten.

Kaart van het Midden oosten en Zuid Rusland

Kaart van het Midden–Oosten en Zuid–Rusland.

Kazachstan naar de Kaukasus

Zij zijn geleidelijk naar het Westen getrokken en tien eeuwen voor onze jaartelling lagen hun gebieden in de Oekraïense steppen tussen Djnepr en Wolga.

Herodotus is de eerste die hen met de naam Sauromaten aanduidt wanneer hij verhaalt dat zij in 514 v.c. tezamen met de Scythen vochten tegen de Perzische koning Darius toen deze Scythië was binnengevallen.

Vanaf de 4e eeuw worden ze in de Griekse geschriften Sarmaten genoemd. De archeologische vondsten uit die tijd tonen duidelijk veranderingen in hun cultuur vergeleken met oudere vondsten, mogelijk is dit het gevolg van incorporatie van nieuwe stammen uit het Oosten. In Sarmatische graven zijn prachtige juwelen gevonden, veelal versierd met dierenfiguren. (3)

sarmatische halsband met dierenfries

Gouden halsband, Sarmatisch, 1e eeuw. (4)

Voor zover na te gaan hadden de Sarmaten een normaal Europees uiterlijk, op de meest oostelijk wonenden na die door gemengde huwelijken Mongoolse trekken vertoonden. Ze zijn bijna allen groot, tussen 180 en 190 cm. met naar het blonde neigende haren. De meesten vonden hen mooi maar wel erg angstaanjagend, alleen Marcellinus Tacitus vond ze er afschuwelijk uitzien.

De Sarmaten waren in veel stammen verdeeld. We zien dat enige stammen namen droegen die variaties zijn op het Indo-Iraanse Arya wat in de verschillende dialecten dan weer Arraei en Areatas en Arii werd of bij labdalisatie Alanen. De Roxolanen heetten oorspronkelijk Rauxsa-Aryana 'Schitterende Alanen'. Andere namen zijn Aorsen 'Witte Alanen', Siraken, Iazamaten, Ixibaten Ixomaten Iazygen en Kalyben die erts en ijzer uit de diepte der aarde groeven, nooit het zonlicht zagen, noch de planten, heel hun leven lang, en zij smeedden het metaal tot zwaarden en sieraden. En dit is slechts een greep uit de bekende namen, waarvan ook mogelijk is dat bij enkele daarvan Scythische stammen zijn bedoeld.

De Scythen woonden westelijk van hen en zijn van Noord Europese herkomst, ze zijn genetisch niet aan hun verwant en zij spraken een andere taal. Ook zij waren zeer kunstzinnig en ook in hun graven zijn prachtige juwelen gevonden. Oostelijk van hun richting China en Mongolië woonden de Massageten en enkele kleinere volkeren.


Fragment van een mozaïekvloer met een Amazone,

Fragment van een mozaïekvloer met een Amazone. (5)

De Griekse schrijver Herodotus hoorde over de oorsprong van de Sarmaten een verhaal dat hem voor waar is verteld, en dat hier zeker niet mag ontbreken. Eens was een aantal vrouwelijke barbaarse strijdsters, Amazones (Borstlozen) genaamd, door de Grieken overwonnen bij de slag aan de Thermodon, een rivier in Capadocië. De Griekse overwinnaars namen hen gevangen en brachten hen in drie schepen richting Griekenland. Op volle zee doodden deze ontembare vrouwen echter hun bewakers. Onervaren zeilers als ze waren kwamen ze niet verder dan een haven genaamd Cremnes aan de steile kusten van de Zee van Azov. Daar maakten ze zich meester van een groep paarden en gingen, voedsel rovend, door het land van de Scythen. Toen de leiders zagen dat hun tegenstanders vrouwen waren, zonden ze jonge mannen op hen af met de opdracht strijd te vermijden en een kamp bij deze vrouwen op te slaan en kinderen te verwekken. Vervolgens verenigden zich de twee kampen. Ze waren zeer vruchtbaar en uit hen ontstond toen het volk der Sarmaten.
De vrouwen weigerden echter hun echtgenoten in het Scythische land te volgen, waar de vrouwen zich aan vrouwenwerk wijden zonder ooit hun wagens te verlaten, zij namen hun mannen en kinderen mee naar de Don waar zij zich vestigden. De vrouwelijke nakomelingen namen de gewoonten van hun voormoeders over en bleven jacht en strijd liefhebben.

De Sarmatische expansie naar het Westen

De grote expansie begon ten tijde van Alexander de Grote tussen 334 en 325 v.c. De Sarmaten verlieten in die tijd de streek tussen Dnjepr en Wolga en trokken naar het zuidwesten. De eerste karakteristieke Sarmatisch kurhans verschijnen eind 4e eeuw tussen de Don en de Donets. Op de linker oever van de Dnjepr zijn er talrijke gevonden uit de 3e en 2e eeuw. In die tijd ziet men ook versterkte nederzettingen verschijnen bij de Scythen, zeer waarschijnlijk als antwoord op de Sarmatische expansie.

In de 2e eeuw v.c. intervenieerden de Sarmaten herhaaldelijk in roeringen van de Krim en de Bosporus. Polybes noemt in verband met een vredesverdrag uit 179 v.c. een Sarmatische koning Gtalos, die een verbond had gesloten met de stad Chersones, bij het huidige Sebastopol tegen de Scythen van de Krim.

Uit deze tijd stamt het mogelijk legendarische verhaal van de Sarmatische koningin Amagê, echtgenote van koning Medosakkos, een genotzuchtige dronkaard, voor wie zij de juridische, diplomatieke en militaire zaken regelde. De inwoners van Chersonese hadden haar bescherming ingeroepen tegen de Scythen van de Krim die lastig waren. Aan het hoofd van een ruiterij van 120 man, iedere ruiter voorzien van drie paarden, overbrugde zij in een dag de afstand van 1200 Stadia, ongeveer 212 kilometer naar het paleis van de Scythische koning. Na dit ingenomen te hebben werd de paleiswacht tot de laatste man gedood, vervolgens werd de gehele koninklijke familie met hun vrienden en raadsleden uitgemoord, op één zoon na die zij het leven liet en op de troon plaatste na hem bevolen te hebben zich voortaan naar behoren te gedragen.

In de 2e eeuw v.c. voltooiden de Sarmaten de verovering van het oude Scythië en maakten zij zich meester van de steppen van de Oekraïne ten westen van de Djnepr. De voorhoede was reeds tegen het einde van de 3e eeuw de rivier overgestoken, want uit die tijd dateert een Sarmatische tombe bij Ouchalka bij Nikopol. Als stamnamen worden Saudoraten en Saïens onder hun koning Saïtapharnes genoemd. Volgens Strabo waren de steppen ten westen van de Dnjepr toen in handen van de Sarmatische Iazygen.

In deze tijd verdwijnen de Scythen uit beeld en nog niet is opgehelderd of er genocide plaats heeft gevonden dan wel dat ze op zijn minst gedeeltelijk in de Sarmaten zijn opgegaan. De verandering van de cultuur van de Sarmaten toont in deze tijd een duidelijke Scythische invloed zodat dit laatste in ieder geval ook heeft plaats gevonden.

De Sarmatische expansie heeft zich niet alleen op het Westen gericht maar ook richting Kaukasus, ten zuiden van de Oekraïens-Russische steppe. In de 4e eeuw zijn de Sarmaanse Siraken al ten oosten van de Zee van Azov aanwezig. Uit de Alanen en Aorsen zijn hier de latere Osseten voortgekomen.

De Alanen

Duros aeterni Martis Alanos

M. A. Lucanus. (6)

De Alanen behoren tot de bekendste en roemrijkste stammen van de Sarmaten. Voor de eerste maal worden ze in de 2e eeuw voor Christus vermeld in de Annalen van de Chinese Han dynastie. Daar wordt vermeld dat het prinsdom Yancai de naam Alan kreeg, omdat het met een ander nomadenland gelegen bij een groot meer, genaamd de Zuidzee (waarschijnlijk de Zwarte Zee) grenzend aan het Romeinse Rijk 1000 km naar het westen dezelfde gewoonten deelt.

De oudste sporen van de aanwezigheid van de Alanen in centraal Azië zijn een stam Ulam of Alan in Turkmenistan en Ass in Ouzbekistan. De naam Alan verschijnt in verscheidene toponymen van het oude Turkestan b.v. Alan-Kalae (Fort van de Alanen) en Kyrk-Alan. Een latere Arabische schrijver Al-Biruni, uit de 11e eeuw stelt dat de Alanen en Aorsen of Asen vroeger in het dal van de Amou-Darya woonden bij de grens van Afghanistan en nadat de rivier haar verloop had verlegd richting Kaspische Zee trokken.

In het Westen verschijnen zij in de klassieke bronnen van de 1e eeuw na Christus als behorend tot de barbaren buiten de grenzen van de Noordoostelijke delen van het Romeinse Rijk. Het eerste koninkrijk van de Alanen lag aan de benedenloop van de Don en zij hadden vestigingen op de Krim. De geschreven geschiedenis van de Alanen begint in de 1e eeuw met hun deelname aan de Georgisch-Parthische oorlog in het jaar 35. Ze stonden bekend als de meest geduchte cavaleristen van hun tijd en traden vaak op als huurlingen. Zij deden invallen in Armenië en Medië in de jaren 72 waarbij zij de Armeense koning Tiridates met een lasso gevangen namen. Met rijke buit keerden ze terug. In 135 zijn ze bondgenoten van de Georgische koning Pharasmanes II in zijn strijd tegen de Parthen en ze bedreigen Medië, Parthië en Capadocië. Tezamen met de Parthen vochten ze in 230 tegen de Sassaniden in Perzië. (7)

Zij vochten te paard, waarbij de prinsen en edelen, evenals hun paarden, beschermd waren door een gehard leren of metalen maliënkolder dat het gehele lichaam bedekte, zij hanteerden hun lange zwaarden met beide handen en zij gebruikten geen schilden. Op hun helmen bevestigden zij vaak hertengeweien. Het hert speelde een belangrijke rol in hun mythologie, het was een nationaal embleem. De historicus Ammianus Marcellinis (330-395) beschrijft hun als slanke, rijzige, grote (procerus) en bijna altijd mooie mensen met tamelijk blond haar, die er door hun woeste oogopslag nogal angstaanjagend (oculorum temperata torvitate terribiles) uitzagen. Zij hadden geen heiligdommen om goden te aanbidden, maar vereerden als hun oorlogsgod een ontbloot in de grond gestoken zwaard en hadden een grote vooroudercultus. Er was in maatschappelijk opzicht weinig sexeverschil en er waren waarschijnlijk meer vrouwelijke dan mannelijke priesters. Hun overleden familieleden gaven ze prachtige, vaak gouden, gaven mee in het graf en zij riepen hun steun aan in de strijd. De verering van hun mooiste zwaard, door Kalyben gesmeed, brachten zij over op de Engelsen, daarover later.

Toch is er een probleem. Eerst in de 1e eeuw beginnen de Romeinse bronnen gewag te maken van de activiteiten van een nomadische bevolking met de naam Alanen die een groot deel van het Sarmatische gebied in de Oekraïens-Russische steppen en de steppen ten Noorden van de Kaukasus schijnen te bezetten. Men vraagt zich af of de Alanen een nieuw gevormde Sarmatische formatie zijn dan wel een zelfstandig volk. Alle vakspecialisten, historici, archeologen en taalkundigen zijn het er in ieder geval over eens dat de Alanen Iraanssprekende nomaden zijn, die cultureel dicht bij de Sarmaten staan. De meesten zien hen als een Sarmatisch volk en denken dat Aorsen de kern van de Alanen gevormd hebben. Deze Sarmatische stam leidde een hergroepering van Iraans sprekende nomaden met hun bondgenoten de Siraken, toen zij steun verleenden aan de Romeinen bij hun strijd tegen de Bosporuskoning Mithradates III. De schrijver Ptolomeus noemt hun de Alanorsen, mogelijk duidt dit op een overgang van Aorsen naar Alanen. Deze denkwijze over de verschijning van de Alanen en de verdwijning van de Aorsen en Masageten in de 1e eeuw verklaart de culturele continuïteit tussen Sarmaten en Alanen. Er zijn ook geen duidelijke culturele of etnische verschillen tussen Sarmaten en Alanen van die tijd, de Alanen lijken wel meer een aristocratisch militaire groep. Zeer wel mogelijk is de naam Alanen gebruikt om een nieuw gevormd verbond van bestaande Sarmatenstammen een eenheidsnaam te geven en is hiervoor de naam van hun gezamenlijk oorsprong genomen Arya, als genitivus pluralis Aryânâm, zoals in de naam Iran, waarbij via een dialectische labdalisatie van de r naar l de naam Alaan is ontstaan. Genetische verschillen zijn nog niet aangetoond.

De antieke schrijvers hadden hier in hun tijd ook geen helder beeld over. Bij de Parthische Oorlog van het jaar 35 spreekt Tacitus over hun als Sarmaten, terwijl Flavius Josephus hun Alanen noemt. Wat de Roxolanen betreft is niet vast te stellen of ze deel uitmaken van de Alanen of dat ze de naam onafhankelijk hebben aangenomen. Rôxs betekent licht. Zij zijn de Stralende Alanen.

In de 3e eeuw kwam er vanuit het Noorden een invasie van de Gothen, die zich vestigden in de steppen van de Oekraïne en daardoor werd het gebied van de Alanen in tweeën gesplitst. Er ontstonden twee Alaanse rijken, één oostelijk aan de benedenloop van de Don, in het huidige Rusland en één westelijk aan de benedenloop van Donau, nu Romenië. In deze regio leefden ook veel Sarmaten. Hoewel ze nu over twee gebieden verdeeld waren bleven de Alanen in de 4e eeuw een belangrijk volk in de Oost-Europese steppen.

De invasie van de Hunnen maakte aan deze hegemonie een einde. De Alanen die de steppen tussen de Don en de Oeral bewoonden werden omstreeks 375 aangevallen en velen werden gedood, overlevenden voegden zich als vazallen bij hen en werden daarna zelfs in hun gelederen opgenomen. Zo speelden ze een grote rol in de slag bij Hadrianopel. Een kleine groep handhaafde haar zelfstandigheid op de Krim en een ander deel trok naar de Noordelijke Kaukasus en legde daar de basis voor het middeleeuwse koninkrijk Alanië, nu Ossetië.

In 401 participeerden Alanen bij de veldslag van Stilicho tegen de Quaden, Vandalen en Marcomannen van de overzijde van de Donau. In 402 vocht de Alaan Saul met de Romeinen tegen de Goot Alaric te Pollentia. Hij sneuvelde daarbij. De Alanen die onder Gratianus, Theodosius en Stilicho dienden waren gelegerd in Pannonië. De Notitia Dignitatum vermeld een Alaans regiment in het Romeinse veldleger, de comites Alani, dat in Italië gestationeerd was en noemt ook Sarmatische gentiles in de Povlakte.

De Jazygen

Gaius Octavianus, de latere keizer Augustus, veroverde van 12 tot 7 v.Chr. een gebied aan de Donau dat onder keizer Claudius (41-54) de provincie Pannonia werd. De laatste twee decennia van die eeuw vochten de Romeinen onder keizer Domitianus (81-96) aan de Pannonische Limes (Ripa in dit geval, want de grens loopt niet over land maar wordt door een rivier gemarkeerd) tegen de invallende ruiterij van de Sarmaten en Daciërs. De Sarmaten hadden zich aan de overzijde van de Donau, in de Hongaarse laagvlakte, tezamen met restgroepen van Daciërs gevestigd. Ten noorden van hun leefden de Quaden, de Vandalen en de Marcomannen.

Vanaf de eerste jaren in de 1e eeuw zijn Sarmatische invallen gemeld in het Romeinse gebied aan de Donau, met name wanneer de daar aan Rome onderworpen volkeren in opstand kwamen en deze de Sarmatische cavaleristen om hulp vroegen. Zo vielen Sarmaten en Daciërs in het jaar 6 en 9 Pannonië en Moesië binnen en in 18 Macedonië om daar de Thraciërs bij te staan. In 21 en 26 werden de Thracische koningen door Iazygen van een cavalerie te voorzien. Keizer Tiberius erkende middels een verdrag de vestiging van Iazygen op een gebied tussen Donau en Tisza waar zij de Daciërs hadden verdreven. Hun land Sarmatia werd daardoor een vazalstaat van het Rijk tot beiderzijds voordeel.

Sarmato-Alaans vaandel

Sarmato-Alaans vaandel (8)

Na de Iazygen drongen in Moldavië en Walachije Roxalanen en Bastarnen binnen. De Romeinen sloten in 89 met de Iazygen en de Roxolanen opnieuw verdragen tegen de Daciërs. In deze strijd waren ook Marcomannen en Quaden betrokken. De Sarmaten hebben zich in de volgende eeuwen vaak verbonden met de Quaden in hun verzet tegen Rome. Er zijn vaak schermutselingen. In de jaren 174-175 is er zelfs sprake van een Sarmatische oorlog. Bij het vredesverdrag wordt afgesproken dat de Sarmaten de Donau niet dichter dan op een afstand van ca 15 km mogen naderen, dat ze 100.000 krijgsgevangenen moeten vrijlaten en zullen beloven een cavalerie van 8000 man te leveren aan Rome, dat zich van zijn kant verbindt mee te bouwen aan een verdedigingslinie aan de Sarmatische oostgrens.

In de Germaanse oorlog 177-180 bleven de Iazygen in het Romeinse kamp en werden de voorwaarden van het eerdere verdrag verzacht waarbij handel met hun neven de Roxolanen in Dacië mogelijk werd.

Gedurende de volgende eeuwen zijn er steeds weer schermutselingen met de Romeinen. De Roxolanen worden door de Goten uit Dacië verdreven en minstens een deel van hun voegt zich bij de Iazygen in Sarmatië.

In 334 zijn de oude stamnamen verdwenen en is de bevolking verdeeld onder een dominante stam de Argaraganten en meerdere onderliggende stammen. De laatsten komen in opstand in een interne Sarmatische oorlog waarbij de onderliggende stam 'servi' (caste ?) de Limigantes samen met andere stammen de Acimicenses en Pincenses de dominante Argaraganten verdrijven.

De Argaraganten, groot 300.000 mannen en vrouwen, krijgen van de Romeinse keizer Constantijn asiel in Klein Scythië, een land ten zuiden van de Donau in Thracië en Macedonië en deels ook in Italië.

Limes Samatiae

Het gebied der Sarmaten in de Donauvlakte

De Limes wordt aangeduid door de zwarte streepjes die verdedigingswallen aangeven.
De grens liep van Aquincum nu Boedapest naar iets ten oosten van Singidunum nu Belgrado.
Vindobonum (linksboven) is nu Wenen (10)

Onder keizer Constantinus werd omstreeks 320 in de Hongaarse laagvlakte door Sarmaten en Romeinen gezamenlijk een uit meerdere wallen en grachten bestaande grenslinie gebouwd langs de Noord- en Oostzijde van het Sarmatische land. Deze grens beschermde hun gebied tegen de Germanen met name de Goten. De Sarmatische grens liep van Boedapest naar het Oosten, ongeveer tot Debrezen en vandaar naar het zuiden tot de IJzeren Poort, een eind voorbij Belgrado. Keizer Valentianus I (364-375) versterkte later ook de Pannonische limes.

Tryphon zoon van Adromenos als sarmatisch cavalarist

De zoon van Andromenos, raadsheer aan het hof
van het Cimmerische rijk aan de Bosporus
1e-2e eeuw als Sarmato-Alaans cavalarist.

.

De limes Sarmatiae bleef tot 378 in stand. Toen vielen de Hunnen vanuit het Oosten binnen waarbij ze de volkeren die ze op hun weg tegenkwamen voortjoegen. De wegvluchtende Goten versloegen daarbij in 380 op vernietigende wijze bij Hadrianopel het leger van de Romeinse generaal Valens.

Onder Keizer Valentianus II (375-392) werd gedurende twintig jaar een relatieve rust in Pannonië verzekerd doordat hij met de Gothen en Sarmaten een alliantie (foedus) sloot waarbij bepaald werd dat zij zich in Pannonië mochten vestigen.

Gedurende de volgende decennia verdedigde een gemengd Germaans-Sarmatisch leger de grenzen van Pannonië, de meest Noordoostelijke provincie van het Rijk, tot de ineenstorting daarvan tegen het einde van die eeuw, waarna de Hunnen de provincie innamen.

Hierop vluchtte de burgerbevolking van Pannonië met medeneming van al hun bezittingen naar Italië. De Sarmaten vluchtten tezamen met de Vandalen en Sueben naar het Westen. Attilla, de koning van de Hunnen, sloot in 433 met de Romeinen een verdrag waarbij hij de provincie Pannonië in handen kreeg. (11)

In de jaren 380-390 vallen de Sarmaten opnieuw de Donauprovincies binnen, opgejaagd door Gothen Alanen en Vandalen, die eerder in 375 door de Hunnen verjaagd waren uit de Oekraïense steppen, maar zij trekken verder naar het Westen.

Alanen als Comites   Sarmaten als Foederati of Gentiles

Hoewel vaak gewag wordt gemaakt over onenigheden en schermutselingen tussen Romeinen en Sarmaten was er in de veel langer durende rustiger tijden steeds onderlinge handel. Sarmaten, met name de Iazygen uit het Donaugebied en de Alanen dienden in het Romeinse leger van de 2e tot de 5e eeuw in verschillende hoedanigheden als vrijwillig verbondenen (foederati) en zij vormden zelfs kleine, meer elitaire militaire kolonies in de verschillende provincies van het Rijk als Gentiles.

Het eerste grote contingent Sarmaten in het Romeinse Leger is dat van de cavaleristen gelegerd in Groot Brittannië vanaf het einde van de 2e eeuw. Hieronder is een groot aantal dat Marcus Aurelius in zijn verdrag geregeld had in 175. Van de 8000 ruiters werden er 5.500 naar Engeland gezonden in groepen van 500. Niet bekend is of dit als een tijdelijke detachering bedoeld en gebleven is. Zeker is dat vrouwen en kinderen meegingen en dat oude Sarmatische mythen en sagen tot op heden in Engeland voortleven.

De legendarische koning Arthur, in de oudste kronieken een Keltisch-Romeins legerleider genoemd en waarschijnlijk de Sarmatische prefect Lucius Artorius Castus, droeg in de volkssagen en overleveringen het magische zwaard Excalibur (gesmeed door een Kalyber (?)) dat hij uit een rots had getrokken. De Sarmaten vereerden een in de grond gestoken zwaard. Bij zijn overlijden diende dit zwaard in het water gegooid te worden. Dit is een naar Britse bodem meegebracht verhaal over de Kaukasische held Batrax. Voorts voerde koning Arthur als standaard een draak, zoals een Sarmaat dat deed. Deze legenden leefden ook aan de overzijde van het Kanaal in Armorica in Bretagne en Normandië. (11a)

excalibur

A - De oorlogsgod van Sarmaten en Alanen
B - Excalibur

Over de legering van Sarmaten in het Rijk is weinig geschreven. de Notitia Dignitatum opgesteld onder keizer Honorius (395-423) is nog de rijkste bron. Het is een summiere opsomming zonder gegevens over tijdstippen en herkomst. Hier worden de praefecturen van Comites Alani en Sermati vermeld. Comitates waren troepen die na de legerhervorming van Diocletianus (284-305) onder leiding van een magister equitum de keizer begeleidden en vormden dus een mobiel leger De Sarmaten hebben meest de status van gentiles wat een sterkere juridische positie inhoudt dan laeti, wat de Germanen waren. Juridisch waren zij vrije vreemdelingen met zelfstandige militaire eenheden onder eigen praefecten. Zij woonden in aangewezen gebieden en vormden de militaire bezetting van forten voor de bewaking van belangrijke wegen en strategische regio's.

Insignia Viri Illustris Magistri Equitum Taifali

De Notitia vermeldt zes prefecturen van Sarmaten, één bij Roanne en Velay van Sarmaten en Alanen en een bij Poitiers van Sarmaten en Taifalen, afkomstig van de Donau bij fort Pinkus. De lijst is onvolledig overgeleverd, de prefecturen in Germania secunda ontbreken.
Links het vaandelembleem van de Sarmaten en Taifali.

Keizer Maiorinus 457-461 gebruikte Alaanse en Sarmatische hulptroepen bij gevechten tegen de Vandalen in Afrika en na de nederlaag werden zij in Gallië gedebarkeerd, waar ze dus wel gerecruteerd zullen zijn. Ze sloegen aan het plunderen vermoedelijk wegens uitblijvende betaling en drongen daarbij in 462 Noord Italië binnen onder koning Beorgor.

In de 5e eeuw diende Alanen op hoge posten in het Oost-Romeinse Rijk zoals Ardabur en zijn zoon Aspar tussen 420 en 471. Dit waren Alaanse edelen die opgenomen waren in de aristocratie van het Rijk.

Groepen Sarmato-Alanen werden als gefedereerden tegen 455 ten zuiden van de Donau geïnstalleerd, in Klein Scythië onder hun leider Candac.

Het laatst vermeldde Alaanse regiment was dat te Ravenna in 487, negen jaar na de afzetting van de laatste Romeinse keizer. Evenals de Sarmaten hadden de Alanen kleine kolonies in de Povlakte. Zij deden mee aan de verkiezing van de Oostgoot Odoaker tot Keizer en dienden later in zijn leger.

In centraal Europa bleven Sarmaten na de tijd van de Hunnen aanwezig in de Hongaarse laagvlakte. In 470 was hun laatst bekende inval onder hun leider Babaï toen ze de Donau weer overtrokken en Pannonia Secunda binnen vielen en Singidinum (Belgrado) veroverden. De Oost Romeinse Keizer Leo I zond Theodoric, de latere West Romeinse keizer, op hen af die hen en verdreef Babaï doodde.

Toen het Romeinse Rijk verdween namen de Frankische en Bourgondische vorsten Sarmatische legeronderdelen in dienst. In 568 volgden een aantal Sarmaten van de Donau de Lombarden en deden mee aan de verovering van Italië en vestigden zich daar in kleine kolonies in de Povlakte.

Sarmatische foederati waren in het 1e kwart van de 5e eeuw gelegerd in Colonia Ulpia Traiana (Troja later Xanten genoemd), gelegen aan de Rijn boven Nijmegen in een streek waar de Frankische Cugerni (Sicambren) woonden. Tegelijk met de inval van de Franken in Gallië waar zij in Doornik een koninkrijk stichtten, werden de Sarmaten ook daarheen overgeplaatst en wel naar Fanum Martis (nu Famars). De eerste Frankische koning die daar heerste was Childerik, zoon van Merovech, wiens graf in 1652 werd ontdekt en dat behalve Germaanse ook sterk Sarmatische kentekenen had. Zijn zoon Chlodovech (Clovis) werd bij zijn doop tot het christendom nog een Sicamber genoemd.

Van Merovech verhaalt een sage dat hij de zoon is van een Frankische prinses en een zeemonster. Dit zou er op kunnen duiden dat het koningschap vererft is via de vrouwelijke lijn. Sommigen veronderstellen dat zijn vader een Sarmaat was. Overigens waren er onder de Franken ook goede zeevaarders. (9)

VOLKSVERHUIZINGEN
De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus

De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus.
De Donau, Rijn en Maas staan aangegeven.

De inval van de Hunnen had grote gevolgen voor de residente bevolkingen. Het Oostelijke deel van de Alanen trekt zich dan terug naar het Zuiden in de Kaukasus en vestigt zich definitief in wat het koninkrijk Alanië wordt en nu de republiek Noord-Ossetië-Alanië heet. (12) De westelijke groep voegt na een verloren veldslag waarbij velen zijn gesneuveld, aanvankelijk als vazallen bij de Hunnen, en vecht daarna als hun bondgenoten een tijd met hun mee. Ook nu treedt een groep in Romeinse dienst.

De Alaanse cavalerie verdedigt als comites Alani in de laatste decennia van de vierde en in het begin van de vijfde eeuw onder de Romeinse generaal Stilicon Noord Italië tegen de aanvallen van de Hunnen.
Comitatenses waren troepen die na de legerhervorming van Diocletianus (284-305) onder leiding van een magister equitum de keizer begeleidden en vormden dus een mobiel leger. (13)

Insignis comes Alani

Andere Alanen trekken onder leiding van koning Respendialis tezamen met de Siling- en Asding-Vandalen en een aantal Sueven langs de Donau naar het Westen waar zij in december 405 bij de Rijn aankomen. Op nieuwjaarsdag 406 steken zij de Rijn bij Mainz en Worms op meerdere plaatsen over en vallen zo het Romeinse Rijk onuitgenodigd binnen.

VERDELING IN TWEE GROEPEN
Respendialis

De Alanen onder Respendialis trekken door naar Straatsburg, vervolgens door Noord-Gallië langs Reims, Amiens, Arras en Tournais (Doornik). Zij lieten, volgens sommige bronnen, een spoor van verwoestingen achter. Ze zwerven drie jaar door de Gallische provincie Germania Secunda, gelegen tussen Rijn en Noordzee en vertrekken in 409 naar Spanje, als hulptroepen voor de Romeinse generaal Gerontius, een vriend van Respendialis. Deze was in opstand gekomen tegen de Romeinse usurpator Constantijn III. Gerontius sneuvelt in 411 bij een veldslag te Arles ondanks de krachtige verdediging door zijn Alaanse vriend. In het machtsvacuüm dat nu in Spanje ontstaat kunnen de Alanen, Vandalen en Sueven het Iberisch schiereiland onderling verdelen en vestigen zij daar hun koninkrijken. Het Rijk van de Alanen reikte van de Atlantische Oceaan tot aan de Middellandse Zee.

In 418 worden de invallers door de Romeinse keizer Honorius met hulp van Gothische hulptroepen vernietigend verslagen. De overlevenden van de Alanen zoeken hun toevlucht bij de Asding-Vandalen die eerder door hen tijdens de inval in Gallië bij een aanval van de Franken van vernietiging waren gered. Onder de Vandaalse koning Geiseric steken ze over naar Noord-Afrika waar in 428 het koninkrijk der Vandalen en Alanen wordt gesticht, dat later ook Sardinië, Corsica en van 440 tot 490 ook Sicilië zal omvatten. Dit rijk houdt tot 534 stand en wordt dan in het Byzantijnse rijk ingelijfd. Hun vroegere, door de Goten overwonnen rijk, op het Iberische schiereiland leefde voort onder de naam Got-Alanië nu Catalonië genoemd.

Goar

Het andere deel van hen, onder koning Goar, gaat na de inval in Gallië meteen in Romeinse dienst en na bewezen diensten krijgen zij vestigingen in Gallië. In de loop van deze eeuw worden ze vaak genoemd bij gevechten in Gallia Cis- en Transalpina onder hun koning Saul die de Romeinse functie praefectus kreeg.

Onder koning Sangiban vechten zij tezamen met de Romeinse generaal Aetius op de Catalaunische velden tegen de Hun Attilla (451). Koning Sambida aanvaardde in 440 een vestiging bij Valence. Later stichtten zij boven de Loire een koninkrijk ten noorden van Orleans. In Bretagne kreeg koning Eochar van de bisschop van Auxerre in 447 eigen land.

Plaatsnamen in geheel Frankrijk zoals in de Ardennen de plaatsen Allaincourt en Alland'huy en twee plaatsen Sampigny, 9e eeuw Sampiniacum, waarvan één aan de bovenloop van de Maas, herinneren aan hun vestigingen. (14)

De lergertekens van de aanvoerders der uitheemse ruiters,
waaronder de Alanen, wier leider als enige als comes werd aangeduid, waar de overigen equites genoemd werden. (15)

Insignia Viri Illustris Magistri Equitum et Comes Alani
Fibulapaar van de schat van Airan.jpg

In Normandië in de Calvados werd te Airan in 1876 een aantal graven gevonden die dateren uit de 5e eeuw. Deze graven liggen dicht bij twee Romeinse legerplaatsen die deel uitmaken van de verdedigingslinie tegen Friese en Saksiche barbaren. Het rijkste graf betreft een jonge vrouw met sieraden die deels van Germaanse, deels van Romeinse origine zijn en deels gelijk zijn aan grafvondsten uit die tijd van graven in de Bourgogne te Balleure, in Duitsland te Fürst en Altlußheim, in Oostenrijk te Untersiebenbrunn, in de Elsas bij Hochfelden, in Portugal te Beja, en aan vondsten van Alaanse sieraden in de Alaanse kurhan van Loutchistoïé op de Krim.

Dit graf is waarschijnlijk van de echtgenote van een Alaanse legercommandant. (16)

Een paar gouden Fibula's met polychrome stenen uit een vermoedelijk Alaans graf in Normandië. (17)

*

Naar de het volk van de Tungri bij Maastricht

Op onderstaande kaart is het laatromeinse verdedigingsstelsel te zien van de Noordgrenzen van het Rijk. Midden op de kaart staat bij Tongeren, de zetel aangegeven van de praefectus, commandant, van de ongeregelde troepen die bestonden uit Laeti, militairen afkomstig van buiten de Rijksgrens die recruten leverden in ruil voor het recht zich met hun gezinnen in het Rijk te vestigen, en Sarmaten. Het is niet onmogelijk dat onze stamvader hierbij hoorde. Hun opdracht zal geweest zijn de belangrijke handelsroutes over de Maas en de Maasovergang van de heerbaan door het Traiectum ad Mosam met zijn koopliedenwijk te verdedigen. Deze kaart is gemaakt van een notitie waar staat dat de praefectuur was propre Tungros wat bij de Tungri betekent. Atuatuca, de oude hoofdstad van de Tungri was toen al een ruïne en hun regerend bisschop Servatius had in die tijd zijn zetel in Maastricht.

Toen het Romeinse Rijk tegen het einde van de vijfde eeuw instortte, het Romeinse leger zich terugtrok naar Italië en ook de Romeinse kolonisten daarnaar terug­keerden zullen meerdere van deze miltairen zich met hun gezinnen hier blijvend hebben gevestigd, onder wie mogelijk onze directe voorvader, behalve krijgers en veefokkers waren het toch ook altijd kooplieden geweest.

De Romeinse verdedigingslinie aan de Noordgrens van de Moezel tot de Noordzee

De Romeinse verdedigingslinie aan de Noordgrens van de Moezel tot de Noordzee.
Bij 'Tongeren' staat het icoon voor de Praefectus Laetorum, Sarmatorum, aangegeven.
De praefectuur was gelegen prope Tungros oftewel bij de Tungri.
Dit kan zijn bij het bestuurscentrum Atuatuca, het latere Tongeren.
Mogelijk waren ze gelegerd in de castella bij het Traiectum ad Mosam (9), het latere Maastricht. (18)

*

Het is een millennium later dat onze eerste bij naam bekende voorvader, Johan Moreez, in 1407 wordt vermeld als burger van Maastricht en landeigenaar zowel bij deze stad als ook te Sichen tussen Maastricht en Tongeren in het land van Luik.

De prehistorie van de familie Marres / Mares wordt aan de hand van de resultaten uit het onderzoek van hun Y-DNA besproken op de pagina Genetica. De voorlopige resultaten maken een herkomst uit het volk van de Sarmaten al onweerlegbaar. Het onderzoek is nog niet afgerond.

Voor het schijven van dit artikel werden een aantal recente en klassieke werken bestudeerd. (19)


HOME

LAKENINDUSTRIE

GENETICA