Sarmatisch sieraad

Gouden Dolfijnfibula, Sarmatisch, 1e eeuw (1)

SARMATEN

en

ALANEN

Sarmatische spiraal armband met dierenfries

Gouden Spiraalarmband, Sarmatisch, 1e eeuw (2)

Van klein Azië naar Kazachstan

Blijkens de jongste stand van de Archaeogenetica ontstond het volk van de Sarmaten uit een man die tussen 16.000 en 20.000 jaar geleden in Voor-Azië leefde in de zogenaamde Vruchtbare Halvemaan, het gebied dat nu in Irak tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt. Het heette toen Mesopotamië. (3)

Uit hem ontstonden veel familiegroepen die lange tijd in dit gebied leefden. In de loop der tijden zijn familiegroepen uit dit gebied vertrokken. Zij splitsten zich in meerdere stammen. Er zijn twee verspreidings­richtingen te onderscheiden. Een westwaarts met vestigingen aan de kust van de Middellandse Zee, nu de Libanon, mogelijk waren zij de stichters van het Phoenicische Rijk. Zij waren vooral kooplieden en koloniseerden geleidelijk de Middellandse Zeekusten en werden een concurrent van het Romeinse Rijk mede door hun vestiging Carthago in het huidige Tunesië. Delen van het Joodse volk stammen van hen af.

Een andere verspreidingsrichting was oostwaarts. Zij migreerden oostwaarts tot de uitlopers van de Himalaya en vandaar naar het noorden. Zij passeerden Turkmenistan en Oezbekistan en vestigden zich op de steppen van Kazachstan, dat na het einde van de laatste ijstijd, nu tienduizend jaar geleden, weer bewoonbaar was geworden. Hier zijn hun archeologische resten gevonden van de Don in het Westen tot in het Tarimbekken dat aan de oostzijde grenst aan de Chinese provincie Gansu. Zij waren nomadische veetelers, handelaars en ook metaalbewerkers. Zij spraken een Iraanse taal, gekleurd met Indische invloeden, die behoorde tot de Indo-Europese taalgroep. Deze confederatie van stammen is onder te verdelen in twee hoofdgroepen. Sarmaten en Alanen. (4)

De oude Romeinse schrijvers hadden veelal nog geen helder beeld van de geschiedenis van de 'Barbaarse volkeren'. Siculus meende dat de Sarmaten uit Medië kwamen, mede gehoord hun spraak. (5)

De genetische code van het DNA van de Sarmaten wordt door de Archeogenetica thans geduid als haplogroep G2a2. Sommigen denken dat ook een groep Scythen deze haplogroep had. Zij wordt thans het meest gevonden in Noord-Ossetië-Alanië, maar ook verspreid in Anatolië en in West-Europa, waar Sarmaten, en de tot dit volk horende Alanen, zich gevestigd hebben. In West-Europa domineert de code R1b met percentages tussen de 50 tot 80%. Deze haplogroep ontstond eveneens in Klein Azië in het paleolithicum. Aangenomen wordt dat zij de succesvolle neolithische landbouwcultuur naar Europa brachten. Na hun komst ontstond in deze groep een bevolkingsexplosie, vandaar hun grote aantal. Onze groep G2a en zijn subgroepen hoorde daar niet bij, blijkens de 2 à 4% aanwezigheid. Zij kwamen hier in de loop der tijden als beroepsmilitairen, smeden en handelaars. (6)

Kaart van het Midden oosten en Zuid Rusland

Kaart van het Midden–Oosten en Zuid–Rusland

De Sarmaten

De Sarmaten vormen de westelijke groep. Zij trokken noordwaarts langs de oostzijde van de Kaspische zee door wat nu Turkmenistan is naar Kazachstan en bevolkte daar vanaf de 9e eeuw v.c. de vlakte tussen de Don en de Oeral. In Kazachstan, ten noorden van de Aralzee zijn hun oudste archeologische resten gevonden in hun graven, kurhans, uit 9e-8e eeuw v.c. De meegegeven voorwerpen zijn duidelijk Indo-Europees en worden archeologisch geduid als de Sauromatische cultuur. Herodotus is de eerste die hen met de naam Sauromaten aanduidt wanneer hij verhaalt dat zij in 514 v.c. tezamen met de Scythen vochten tegen de Perzische koning Darius toen deze Scythië was binnengevallen. (7)

Van Kazachstan naar de Oekraïne

Zij zijn geleidelijk naar het Westen getrokken en vijf eeuwen voor onze jaartelling lagen hun gebieden in de Oekraïense steppen tussen Djnepr en Wolga. Vanaf de 4e eeuw worden ze in de Griekse en Latijnse geschriften Sarmaten genoemd. De archeologische vondsten uit die tijd tonen duidelijk veranderingen vergeleken met oudere vondsten, mogelijk is dit het gevolg van incorporatie van nieuwe stammen uit het Oosten. In Sarmatische graven zijn prachtige juwelen gevonden, veelal versierd met dierenfiguren. (8)

sarmatische halsband met dierenfries

Gouden halsband, Sarmatisch, 1e eeuw (9)

Voor zover na te gaan hadden de Sarmaten een normaal Europees uiterlijk, op de meest oostelijk wonenden na die door gemengde huwelijken Mongoolse trekken vertoonden. Ze zijn bijna allen groot, tussen 180 en 190 cm. met naar het blonde neigende haren. De meesten vonden hen mooi maar wel erg angstaanjagend, alleen Marcellinus Tacitus vond ze er afschuwelijk uitzien.

De Sarmaten waren in veel stammen verdeeld. De bekendsten zijn de Iazygen die het meest naar het westen zullen opdringen, voorts de Kalyben die erts en ijzer uit de diepte der aarde groeven, nooit het zonlicht zagen, noch de planten, heel hun leven lang, en zij smeedden het metaal tot zwaarden en sieraden. Verder Siraken, Iazamaten, Ixibaten. En dit is slechts een greep uit de bekende namen, waarvan ook mogelijk is dat bij enkele daarvan Scythische stammen zijn bedoeld. Zo is nog niet duidelijk in welke verhouding ze stonden tot de Massageten en de Saka. Waren dat geheel afzonderlijke volkeren of verwanten van de Sarmaten dan wel de Skythen? (10)

De Scythen woonden westelijk van hen en zijn van Noord Europese herkomst, ze zijn genetisch niet aan hun verwant en zij spraken een andere taal. Ook zij waren zeer kunstzinnig en ook in hun graven zijn prachtige juwelen gevonden. Oostelijk van hun richting China en Mongolië woonden de Massageten en Saka enkele kleinere volkeren.

Fragment van een mozaïekvloer met een Amazone,

Fragment van een mozaïekvloer met een Amazone. (11)

De Griekse schrijver Herodotus hoorde over de oorsprong van de Sarmaten een verhaal dat hem voor waar is verteld, en dat hier zeker niet mag ontbreken. Toen de Grieken tegen de Amazonen (Borstlozen), die door de Skythen Mannendoodsters worden genoemd, streden en ze bij de rivier de Thermadon de overwinning hadden behaald, voeren ze terug waarbij ze in drie schepen de Amazonen die ze levend in handen hadden kunnen krijgen met zich mee voerden. Maar eenmaal op zee doodden deze ontembare vrouwen hun bewakers. Ze waren evenwel onbekend met schepen en konden geen roer, zeil of roeiriemen hanteren en waren dan ook, nadat ze alle mannen gedood hadden. overgeleverd aan wind en golven. Ze kwamen terecht op de Krim bij de Zee van Azov waar de Skythen wonen. Daar trokken ze het bewoonde land in en weldra kwamen ze bij een paardenfokkerij die ze plunderden, en te paard stroopten ze de landerijen van de Skythen af. Toen dezen ontdekten dat hun tegenstanders vrouwen waren, zonden ze jonge mannen op hen af met de opdracht hen niet te doden maar een kamp bij hun op slaan en zich evenals hen zich bezig houden met jagen en stropen. De bedoeling van dit plan was dat de Skythen graag kinderen van hen wilden hebben. Ze sloten na een tijd vriendschap en verenigden de kampen. Zij waren zeer vruchtbaar en uit hen ontstond toen het volk van de Sarmaten.
De vrouwen weigerden echter hun echtgenoten in het Scythische land te volgen, waar de vrouwen zich aan vrouwenwerk wijden zonder ooit hun wagens te verlaten, zij namen hun mannen en kinderen mee naar de overzijde van de Don waar zij zich vestigden. De vrouwelijke nakomelingen namen de gewoonten van hun voormoeders over en bleven jacht en strijd liefhebben. (12)

Herodotos vermeldt een volk Mares (Μαρεσ), dat in de jaren 518-517 v.c. deel uit maakte van de 19e Satrapie van het Perzische Rijk onder Darius. Zij bewoonden de kusten tussen Colchis en de Thermodon. De streek waar ook de Amazones leefden. (13)

De Sarmatische expansie naar het Westen

De grote expansie begon ten tijde van Alexander de Grote tussen 334 en 325 v.c. De Sarmaten verlieten in die tijd de streek tussen Dnjepr en Wolga en trokken naar het zuidwesten. De eerste karakteristieke Sarmatisch kurhans verschijnen eind 4e eeuw tussen de Don en de Donets. Op de linker oever van de Dnjepr zijn er talrijke gevonden uit de 3e en 2e eeuw. In die tijd ziet men ook versterkte nederzettingen verschijnen bij de Scythen, zeer waarschijnlijk als antwoord op de Sarmatische expansie.

In de 2e eeuw v.c. intervenieerden de Sarmaten herhaaldelijk in roeringen van de Krim en de Bosporus. Polybes noemt in verband met een vredesverdrag uit 179 v.c. een Sarmatische koning Gtalos, die een verbond had gesloten met de stad Chersones, bij het huidige Sebastopol tegen de Scythen van de Krim.

Uit deze tijd stamt het mogelijk legendarische verhaal van de Sarmatische koningin Amagê, echtgenote van koning Medosakkos, een genotzuchtige dronkaard, voor wie zij de juridische, diplomatieke en militaire zaken regelde. De inwoners van Chersonese hadden haar bescherming ingeroepen tegen de Scythen van de Krim die lastig waren. Aan het hoofd van een ruiterij van 120 man, iedere ruiter voorzien van drie paarden, overbrugde zij in een dag de afstand van 1200 Stadia, ongeveer 212 kilometer naar het paleis van de Scythische koning. Na dit ingenomen te hebben werd de paleiswacht tot de laatste man gedood, vervolgens werd de gehele koninklijke familie met hun vrienden en raadsleden uitgemoord, op één zoon na die zij het leven liet en op de troon plaatste na hem bevolen te hebben zich voortaan naar behoren te gedragen.

In de 2e eeuw v.c. voltooiden de Sarmaten de verovering van het oude Scythië en maakten zij zich meester van de steppen van de Oekraïne ten westen van de Djnepr. De voorhoede was reeds tegen het einde van de 3e eeuw de rivier overgestoken, want uit die tijd dateert een Sarmatische tombe bij Ouchalka bij Nikopol. Als stamnamen worden Saudoraten en Saïens onder hun koning Saïtapharnes genoemd. Volgens Strabo waren de steppen ten westen van de Dnjepr toen in handen van de Sarmatische Iazygen.

In deze tijd verdwijnen de Scythen uit beeld en nog niet is opgehelderd of er genocide plaats heeft gevonden dan wel dat ze op zijn minst gedeeltelijk in de Sarmaten zijn opgegaan. De verandering van de cultuur van de Sarmaten toont in deze tijd een duidelijke Scythische invloed zodat dit laatste in ieder geval ook heeft plaats gevonden.

Sarmaten zijn bekende en veel gevraagde cavaleristen waarvan de stamhoofden zowel van de ene als van de andere partij geschenken plegen aan te nemen en naar de zeden van hun volk tegengesteld partij kiezen. In 35 n.c. vocht een groep als huurlingen voor Pharasmanes, koning van de Hiberiërs, een land ten zuiden van de Kaukasus tegen de Armeniërs, terwijl een andere groep Sarmaten daar tezamen met de Parthen voor de Armeniërs vocht. (14)

De Jazygen

Gaius Octavianus, de latere keizer Augustus, veroverde van 12 tot 7 v.Chr. een gebied ten westen van de Donau dat onder keizer Claudius (41-54) de provincie Pannonia werd,. Dit is nu het westelijk deel van Hongarije. De Sarmaten waren toen doorgedrongen tot aan de overzijde van de Donau, in de Hongaarse laagvlakte waar ook nog Daciërs leefden. Vanaf de eerste jaren in de 1e eeuw zijn Sarmatische invallen gemeld op het Romeinse gebied aldaar. Zo vielen Sarmaten en Daciërs in het jaar 6 en 9 Pannonië en Moesië, thans Bulgarije, binnen en in 18 Macedonië om daar de in opstand gekomen Thraciërs bij te staan. In 21 en 26 werden de Thracische koningen door Sarmatiers die nu Iazygen genoemd werden van een cavalerie te voorzien.

Nadat de Iazygen de Daciërs hadden verdreven uit het gebied tussen Donau en Tisza erkende Keizer Tiberius, 42 v.c.- 37 n.c. middels een verdrag hun land Sarmatia als een vazalstaat van Rome, thans oostelijk Hongarije, waarbij Rome borg stond voor hun onafhankelijkheid en de Jazygen de Romeinse grens beschermden tegen invallen van buiten af en cavaleristen leverden als hulptroepen, auxilia, voor Romeinse legioenen.

Limes Samatiae

Het gebied der Sarmaten in de Donauvlakte

De Limes wordt aangeduid door de zwarte streepjes die verdedigingswallen aangeven.
De grens liep van Aquincum nu Boedapest naar iets ten oosten van Singidunum nu Belgrado.
Vindobonum (linksboven) is nu Wenen (15)

In het jaar 50 was de cavalerie van de Jazygen betrokken bij de interne opvolgingsstrijd van de Sueben, waarin ze Vannius, die door de Romeinen als koning was aangesteld en het land zeer welvarend had gemaakt, overigens tevergeefs verdedigden tegen zijn neven, Vangio en Sido, die met hulp van naburige Germaanse stammen, de heerschappij overnamen. (16)

De verwachtte aanvallen uit het Oosten kwamen al snel door Roxalanen en Bastarnen die Moldavië en Walachije binnendrongen. In deze strijd waren ook Marcomannen en Quaden betrokken. De Sarmaten weken het Rijk in maar werden daar tegengehouden door een Romeins legioen dat zij volgens de Romeinse geschiedschrijver Suetonius volledig hebben uitgeroeid en de bevelhebber gedood. Hierop stuurde in 89 keizer Domitianus. 81 - 96, een strafexpeditie onder leiding Rubrius Gallus. Hierop werd de grensbewaking versterkt en werden met de Iazygen en de Roxolanen verdragen gesloten die hen moesten beschermen tegen de Daciërs. Voor de viering van zijn overwinning beperkte de keizer zich tot het offeren van een lauwerkrans aan Jupiter op het Capitool. (17) Flavius Josephus schrijft dat enkel Romeinse grenswachten om het leven kwamen en dat de legaat Fonteius Agrippa die hevig verzet bood werd gedood. (18)

In de jaren 174-175 is er een strijd zo hevig dat gesproken wordt over een Sarmatische oorlog. De Iazygen dringen Dacië in, kleineren het Romeinse leger en verzamelen een flinke oorlogsbuit. Bij het vredesverdrag wordt afgesproken dat de Sarmaten voortaan achter de Donau moeten blijven en deze zelfs niet dichter dan op een afstand van 15 km mogen naderen. Ze zullen de krijgsgevangenen, 100.000 in aantal, vrijlaten en een cavalerie leveren aan Rome van 8000 man. Rome van zijn kant verbindt zich mee te bouwen aan een verdedigingslinie aan de Sarmatische oostgrens tegen de Daciërs.

In het jaar 175 werd het zesde legioen, dat uit 5.500 uit deze streek gerecruteerde Iazygen bestond door keizer Marcus Aurelius gelegerd in Engeland. Deze zijn later allen weer teruggetrokken op een ala, cavalerie regiment van 500 man na dat te Ribchester aanwezig bleef. Chester, 100 km. zuidelijker gelegen was het administratieve centrum voor Noord Wales en West England. Er is daar een Sarmatische inscriptieloze grafsteen bewaard gebleven.

In de Germaanse oorlog 177-180 bleven de Iazygen in het Romeinse kamp en werden de voorwaarden van het eerdere verdrag verzacht waarbij handel met hun neven de Roxolanen in Dacië mogelijk werd. Zie voor hun verhouding tot de Roxolanen hieronder bij de Alanen.

Gedurende de volgende eeuwen zijn er steeds weer schermutselingen met de Romeinen. In 289 behaalt keizer Diocletianus overwinningen op de binnengevallen Sarmaten aan de Donaugrens van Pannonië en Moesië, en hij herhaalt dit in 292.

Sarmatische grafsteen gevonden te Chester, Engeland

Sarmatische grafsteen, Engeland. (19)

Sarmato-Alaans vaandel

Sarmatisch vaandel (20)

Onder keizer Constantius (313-337) werd omstreeks 320 in de Hongaarse laagvlakte door Sarmaten en Romeinen gezamenlijk een uit meerdere wallen en grachten bestaande grenslinie gebouwd langs de Noord- en Oostzijde van het Sarmatische land. Deze grens beschermde hun gebied tegen de Germanen met name de Goten. De Sarmatische grens liep van Boedapest naar het Oosten, ongeveer tot Debrezen en vandaar naar het zuiden tot de IJzeren Poort, een eind voorbij Belgrado.

In 334 deden de Sarmaten tezamen met een buurvolk de Quaden uitvallen naar de Romeinse zijde van de Donau in Pannonië en Moesië onder leiding van prinsen Zizais, Rumo, Zinafer, Usafer en Fragiledus. Keizer Constantinus wist na enige strijd met hun een verdrag te sluiten, waarbij zonen van edelen als gijzelaars werden gegeven en Zizais als koning over de verschillende stammen werd aangesteld.

Het jaar daarop werden de onderliggende stammen de Limiganten die tegen hun leiders in opstand waren gekomen in een interne Sarmatische oorlog en die op eigen houtje eveneens invallen hadden gedaan door keizer Constantius met de wapens tot de orde geroepen. Zij kregen woonplaatsen in een afgezonderd gebied en werden onder gezag van koning Zizais gesteld. Ook de aldaar wonende Taifalen en Pincensen, kwamen onder diens gezag. (21)

De krijgsadel, de Argaraganten, 30.000 in getal (22) zocht in 334 zijn toevlucht In het Romeinse Rijk en kreeg daar gastvrij onthaal en vestigingsplaatsen voor hun en hun families in verschillende provincies, ook in het kerngebied van het Rijk, in Thracië, Macedonië en Noord Italië. (23)

De limes Sarmatiae bleef tot 378 in stand. Toen vielen de Hunnen vanuit het Oosten binnen waarbij ze de volkeren die ze op hun weg tegenkwamen voortjoegen. De weg vluchtende Goten versloegen daarbij in 380 op vernietigende wijze het leger van de Romeinse generaal Valens bij Hadrianopel.

Onder Keizer Valentianus II (375-392) werd gedurende twintig jaar een relatieve rust in Pannonië verzekerd doordat hij met de Gothen en Sarmaten een alliantie (foedus) sloot waarbij bepaald werd dat zij zich in Pannonië mochten vestigen. Enige onruststokers kren in die tijd de straf om als gladiator in Romeinse theaters te moeten vechten. (24)

Gedurende de volgende decennia verdedigde een gemengd Germaans-Sarmatisch leger de grenzen van Pannonië, de meest Noordoostelijke provincie van het Rijk, tot de ineenstorting daarvan tegen het einde van die eeuw, waarna de Hunnen de provincie innamen.

Hierop vluchtte de burgerbevolking van Pannonië met medeneming van al hun bezittingen naar Italië. De nog aanwezige Sarmaten vluchtten tezamen met de Vandalen en Sueben en Alanen naar het Westen. Deze laatste groepen staken in 406 de Rein over naar Gallië. Van de Sarmaten,waarschijnlijk kleine groepen, wordt hierna niets meer vernomen. Zij zullen in de bevolking van West-Europa zijn opgegaan.

Attilla, de koning van de Hunnen, sloot in 433 met de Romeinen een verdrag waarbij hij de provincie Pannonië in handen kreeg. (26)

Na de dood van Attilla in 453 viel zijn rijk uiteen. Sarmaten en Alanen onder leiding van Candac werden door het Oost Romeinse gouvernement als foederati geïnstalleerd. Alanen ten zuiden van de monding van de Donau in Scythia Minor, nu Noord-Oost Roemenië, en Sarmaten in Moesië bij het huidige Kula in Noord-West Bulgarije. (27)

Imperium Romanum Anno 454 - pars

Imperium Romanum Anno 454
Noordoostelijk gebied en de grens langs de Rein en de Donau. (27a)

De Sarmaten staan hier ingetekend in Dacië en de Alanen deels in Scythië, deels in Moesia II.

*

De Alanen

De geharde altijd vechtende Alanen, Duros aeterni Martis Alanos, worden ze in het begin van onze jaartelling door M.A. Lucanus genoemd. (29) Ze zijn verwant aan de Sarmaten en leken fysiek en cultureel op elkaar en werden door eigentijdse geschiedschrijvers nog al eens met elkaar verward. Zij bestonden uit veel verschillende clans, waarvan sommigen de door hun overwonnen volkeren in hun groep opnamen. Ook zij waren semi-nomadische veetelers en beroepsmilitairen, maar het waren ook handelaren. Vanaf het begin van de 2e eeuw v.c. beheersten de zijdehandel tussen China en het Westen en werden in het Westen Seres, bewoners van Serica, het Zijdeland genoemd. De Chinezen noemden hen Yuehzi. De Chinese Han keizer Wudi zocht in 138 v.c. hun steun tegen de Hunnen (Xiongnu) die zowel China als de Yuezhi hadden aangevallen. De keizer bouwde toen een grote muur tegen de Xiongnu. werd en de Chinese provincie Xianjian werd. Deze provincie werd in het Westen ook wel Oost-Toerkestan genoemd.

De zijderoute liep vanaf het oude China door het Tarimbekken dat destijds als een deel van India werd gezien en Serinda werd genoemd, maar later door de Chinezen veroverd werd en de Chinese provincie Xianjian werd. Deze provincie werd in het Westen ook wel Oost-Toerkestan genoemd. (30). (30aa).

In het Tarimbekken boven het zoutmeer van Loulan zijn mummies gevonden van 1000 tot 2000 jaar v.c. De mummies, die door de droogte goed geconserveerd zijn, hebben een Europees uiterlijk. Ze zijn lang, hebben hoge neusrugen, forse baarden, ronde oogkassen en vaak blonde of rossige haren en ze zijn in fraaie en goed bewaarde kleding begraven. In één mummie werd DNA gevonden, hij had haplogroep R1a. Op een spiegel uit een grafveld in Xinjiang, ca. 500 v.c. is de C vormige chinese draak afgebeeld. Eeuwen later werd dit het insignis van de wellicht Sarmatische Taifali van een Romeins legioen in Engeland.

Mirror, excavated from cemetery site 'Chawuhugou', Hejin county, southern Xinjiang

Spiegel
Chawuhugou grafveld,
Xinjiang China. (30a)

Andronovo Cultuur

C vormige jade draak, Hongshan cultuur

De C vormige voorstelling van een draak is al bekend in de Chinese Hongshantijd (c. 4700-2920 v.c.) door jade afbeeldingen. De chinese vleugel- en vaak ook pootloze draak, met een parel in zijn baard, is een symbool geluk en welvaart.

Hun taal, bekend uit geschriften die dateren uit 300 n.c. is Tochaars (Toegrisch), een Indo-Europese taal. Zij zijn mogelijk de voorouders van de Yuezhi die hier ten tijde van de Han-dynastie woonden.

Insignia Viri Illustris Magistri Equitum Taifali

Insignis
Sarmatische Taifalen
in Romeins legioen.

De Tochari, waren semi-nomadische herders en jagers. Loulan was destijds een belangrijke karavaanhalte in een oase op de zijderoute. DNA testen zijn niet eenduidig. (30b).

Het is zeer aannemelijk dat de Alanen, die een millennium v.c. in het Tarimbekken, de huidige Chinese provincie Gansu, woonden dit symbool hebben overgenomen.

Vanaf het einde van de 4e eeuw v.c. begon de Chinese expansie. Hierdoor werden de aanvankelijk vredelievende veehoudende nomaden de Hiung Nu, in het westen Hunnen genoemd, naar het westen verdreven. De Hunnen verdreven daarop de Yuehzi in 176 v.c. weer verder westwaarts. Het was waarschijnlijk een groep van hun, de huidige Magyaren, die zich vestigde in Turgayskaya Oblast (Turgai) in Kazachstan. Het grootste deel van hen trok verder en vestigde zich in de welvarende Perzische satrapie Sogdiana. Zij verdreven hier de Parthen en doodden hun koningen. Dit gebied lag waar nu Oezbekistan ligt. Zij behielden de dominantie in de tussenhandel op de Zijderoute tussen China en het Midden-Oosten.

Strabo noemt hun nog As of Asioi (Asiani, lat.) maar vanaf deze tijd verschijnt de naam Alanen in de vorm van hun stamnaam Alan. In het oude Turkestan verschijnt in verscheidene toponymen de naam Alan b.v. Alan-Kalae (Fort van de Alanen) en Kyrk-Alan. De Perzische dichter Ferdoûsî (941-1026) en de Arabische geschiedschrijver Al-Bîroûnî (X-XIe eeuw) wisten beiden nog te vermelden dat de Alanen en Aorsen of Asen vroeger aan de benedenloop van de Amou daria woonden. (32)

In de Chinese literatuur worden ze vermeld in de Annalen (Hou Han shu) van de Oostelijke Chinese Han dynastie (1-3e eeuw n.c.), als wonend bij het Aralmeer. Vermeld wordt dat zij zich eerst Yueh-zhi noemden en zich later Alan-na Alanen gingen noemen.

Yüeh-Chih

Yueh Zhi

In de tweede helft van de derde eeuw werd door de Perzische Sassaniden een grote, lange muur gebouwd, enigszins vergelijkbaar met de Chinese muur maar kleiner, die van de Kaspische zee tot in de bergen bij Gonbad-e-Kavus liep, de Qizil-Alan, die later Alexanders wall is genoemd. Hij ligt nu in Noord Iran vlak onder de grens met Turkmenistan.

Strijder graftombe te Kumtura (Mingoi)
girl from kalash pakistan with facial tattoos

Meisje uit het Kalash volk in Pakistan met historische tatoeages.
 

Beeld van een strijder
graftombe te Kumtura in Darim vallei, China ca 4e-5e eeuw.

Vanuit dit gebied stichtte een van de clans van de groep die zich nog Yuezhi noemden, in de 1e eeuw n.c. een groot rijk Kushana in India. Op het hoogtepunt van zijn bloei omvatte dit Noord India, Pakistan, Afganistan en Baktrië en grensde in het Noorden aan Sogdania. Het bestond tot rond 240 toen het door de Perzische Sassaniden werd veroverd. In een vallei in Pakistan wonen nu de Kalash, een volk dat in fysionomie en geloof sterk afwijkt van zijn buurvolkeren. Zij geen moslim of Hindoe, Velen hebben opmerkelijk blond haar en blauwe ogen. Mogelijk zijn zij afstammelingen van de Yuezhi. zoals dit ook gedacht wordt van Iyer (uitgesproken: Ajer, Arier) de kaste van de Hindoe Brahmanen van de Tamils.

Kalashmeisje
Kalashmeisjes

Meisjes uit het Kalash volk in Pakistan in historische feestkledij.

Tezelfdertijd gingen groepen As en Alanen naar het westen, waar zij door Flavius Josephus in de 1e eeuw n.c. aan de benedenloop van de Don werden waargenomen. Het is overigens niet duidelijk of deze Alanen daar vanuit Turkmenistan dan wel rechtstreeks uit het Zevenstromenland gekomen zijn. In het zevenstromenland worden de achtergebleven Alanen nog in de 7e eeuw onder de naam Az vermeld in de geschriften van de Orchonin. (33)

De Alanen zullen tot de bekendste en roemrijkste steppenvolkeren in het Zuiden van Rusland gaan horen. Ze komen voor onder verschillende namen. We zien dat enige stammen namen droegen die variaties zijn op het Indo-Iraanse Arya wat in de verschillende dialecten dan weer Arraei en Areatas en Arii werd of bij labdalisatie Alanen. De Roxolanen, Ροξολανοι (gr.), Rauxsa-Aryana (lat.), 'Schitterende Alanen' woonden het noordelijkst en werden aangeduid als de Koninklijke Sarmaten. (34). Andere namen zijn Aorsen 'Witte Alanen'.

De Romeinse bronnen maken vanaf het begin van de 1e eeuw gewag van Alanen die een groot deel van de steppen ten Noorden van de Kaukasus te bezetten. Seneca noemt de feris Alanis, woeste Alanen wonend bij de Donau, in zijn tragedie Thyestes. Het zijn Iraans sprekende nomaden, die cultureel dicht bij de Sarmaten staan. De meesten zien hen als een Sarmatisch volk en denken dat Aorsen de kern van de Alanen vormden. De schrijver Ptolomeus noemt hun Alanorsen. Zij verleenden met de Sarmatische stam de Siraken, steun aan de Romeinen bij hun strijd tegen de Bosporuskoning Mithradates III. Er zijn geen duidelijke culturele of etnische verschillen tussen Sarmaten en Alanen van die tijd, de Alanen lijken een meer aristocratisch militaire groep. Zeer wel mogelijk is de naam Alanen gebruikt om een nieuw gevormd verbond van bestaande Sarmatenstammen een eenheidsnaam te geven en is hiervoor de naam van hun gezamenlijk oorsprong genomen Arya, als genitivus pluralis Aryânâm, zoals in de naam Iran, waarbij via een dialectische labdalisatie van de r naar l de naam Alaan is ontstaan. Genetische verschillen zijn nog niet aangetoond.

De antieke schrijvers hadden hier in hun tijd ook geen helder beeld over. Bij de Parthische Oorlog van het jaar 35 spreekt Tacitus over hun als Sarmaten, terwijl Flavius Josephus hun Alanen noemt. Wat de Roxolanen betreft is niet vast te stellen of ze deel uitmaken van de Alanen of dat ze de naam onafhankelijk hebben aangenomen. Rôxs betekent licht. Zij zijn de Stralende Alanen.

De Alanen in de Oude Wereld

Kaart (in het frans) uit: Les Alains, Ie - XVe siècles, van Vladimir Kouznetsov en Iarosloav Lebedynski.

Het eerste koninkrijk van de Alanen waar meer over bekend is lag aan de benedenloop van de Don. Zij drongen later op naar het zuiden op en stichtten in de eerste eeuw vestingen in de Noordelijke Kaukasus. Ze kwamen niet verder door de kracht van het in de zuidelijke Kaukasus gelegen koninkrijk Kartli. De pas door de Centrale Kaukasus heette vanaf die tijd de Dari Alan, de Alaanse Poort, wat aangeeft dat dit fort gebouwd is met de bedoeling de Alanen buiten te houden. Later werd hij de Sarmatische Poort genoemd. (35) Seneca wijst er op dat alleen moedige koningen zich veroorloven de Kaspische hoogten onbeschermd te laten tegen de dappere Sarmaten. (36)

De geschreven geschiedenis van de Alanen begint in de 1e eeuw met hun deelname aan de Georgisch-Parthische oorlog in het jaar 35. Ze stonden bekend als de meest geduchte cavaleristen van hun tijd en traden vaak op als huurlingen. Zij deden invallen in Armenië en Medië in de jaren 72 waarbij zij de Armeense koning Tiridates met een lasso gevangen namen. Met rijke buit keerden ze terug. In 135 zijn ze bondgenoten van de Georgische koning Pharasmanes II tegen de Parthen en ze bedreigen Parthië, Medië en Capadocië. Later, in 230, vochten ze tezamen met de Parthen in Perzië tegen de Sassaniden. (37)

Tryphon zoon van Adromenos als sarmatisch cavalarist

De zoon van Andromenos, raadsheer aan het hof
van het Cimmerische rijk aan de Bosporus
1e-2e eeuw als Sarmato-Alaans cavalarist.

Zij vochten te paard, waarbij de prinsen en edelen, evenals hun paarden, beschermd waren door een gehard leren of metalen maliënkolder dat het gehele lichaam bedekte, zij hanteerden hun lange zwaarden met beide handen en zij gebruikten geen schilden. Op hun helmen bevestigden zij vaak hertengeweien. Het hert speelde een belangrijke rol in hun mythologie, het was een nationaal embleem.

De historicus Ammianus Marcellinis (330-395) beschrijft hun als rijzig van gestalte en welgevormd, enigszins blond van haar, angstaanjagend zelfs bij matig grimmige blik en snel met hun lichte wapens (38)

Zij hadden geen heiligdommen om goden te aanbidden, maar vereerden als hun oorlogsgod een ontbloot in de grond gestoken zwaard en hadden een grote vooroudercultus.

Er was in maatschappelijk opzicht weinig sexeverschil en er waren waarschijnlijk meer vrouwelijke dan mannelijke priesters.

Hun overleden familieleden gaven ze prachtige, vaak gouden, gaven mee in het graf en zij riepen hun steun aan in de strijd. De verering van hun mooiste zwaard, door Kalyben gesmeed, brachten zij over op de Engelsen, daarover later.

In de 3e eeuw kwam er vanuit het Noorden een invasie van de Gothen, die zich vestigden in de steppen van de Oekraïne en daardoor werd het gebied van de Alanen in tweeën gesplitst. Er ontstonden twee Alaanse rijken, één oostelijk aan de benedenloop van de Don, in het huidige Rusland en één westelijk aan de benedenloop van Donau, nu Roemenië. In deze regio leefden ook veel Sarmaten. Hoewel ze nu over twee gebieden verdeeld waren bleven de Alanen in de 4e eeuw een belangrijk volk in de Oost-Europese steppen.

De invasie van de Hunnen in de 4e eeuw maakte aan deze hegemonie een einde. De Alanen die de steppen tussen de Don en de Oeral bewoonden werden omstreeks 375 aangevallenen velen sneuvelden. Overlevenden werden toen in de gelederen van de Hunnen opgenomen die vervolgens de Gothen aanvielen. Een ander deel van de Alanen trok zich met groepen Gothen terug achter de Djnester. (38a)

Een groot aantal Alanen trok naar de Noordelijke Kaukasus en legde daar de basis voor het middeleeuwse koninkrijk Alanië, nu de republiek Alanië-Noord Ossetië.

Alanen handhaafden zich nog enige eeuwen, tezamen met een aantal Goten, in het Bosporische Rijk, het koninkrijk op de Krim.

armband, necropool van Kerč, Krim, ca 400, Alaans of Gotisch gesp, necropool van Kerč, Krim, ca 400, Alaans of Gotisch

Gouden armband en gesp,Necropool Kerč, Krim, circa 400 (39)

In de 5de eeuw werd het Bosporuskoninkrijk uiteindelijk door Goten en Hunnen verslagen en kwam het in de Byzantijnse invloedssfeer.

Archeologen vonden hier hun neder­zettingen en necropolen. In menig graf zijn wapens, gebruiksvoorwerpen en fraaie juwelen gevonden.

In 401 participeerden Alanen bij de veldslag van Stilicho tegen de Quaden, Vandalen en Marcomannen van de overzijde van de Donau. In 402 vocht de Alaan Saul met de Romeinen tegen de Goot Alaric te Pollentia. Hij sneuvelde daarbij. De Alanen die onder Gratianus, Theodosius en Stilicho dienden waren gelegerd in Pannonië. De Notitia Dignitatum vermeld een Alaans regiment in het Romeinse veldleger, de comites Alani, dat in Italië gestationeerd was en noemt ook Sarmatische gentiles in de Povlakte.

Insignis comes Alani

De inval van de Hunnen had grote gevolgen voor de residente bevolkingen. Het Oostelijke deel van de Alanen trekt zich dan terug naar het Zuiden in de Kaukasus en vestigt zich definitief in wat het koninkrijk Alanië wordt en nu de republiek Noord-Ossetië-Alanië heet. (47)

De westelijke groep Alanen voegt zich na een verloren veldslag waarbij velen zijn gesneuveld, deels als vazallen bij de Hunnen en vecht gedurende enige tijd als bondgenoten met hun mee. Een ander deel treedt in Romeinse dienst en en worden de vormen de comites Alani, een cavalarieafdeling van het keizelijke leger. Zij vechten onder de Romeinse generaal Stilicho, 359-408, wiens vader een Vandaal was maar zijn moeder een Romeinse burgeres. Zij strijden in Noord Italië tegen de Hunnen. De Alanan vormden als comitates een zelfstandige groep onder leiding van een eigen magister equitum die de keizer op zijn veldtochten beschermden. (48)

De in Pannonië achtergebleven Alanen werden door de Hunnen, tezamen met de inheemse bevolking, westwaarts gedreven. Ze trokken langs de Donau naar de Rein en ontmoetten daar de eveneens door de Hunnen opgestuwde Vandalen, Burgondiërs en Sueben (Qaden).

Het verhaal van de Alanen in het Westen gaat verderop door bij Volksverhuizingen.

Alanen tijdens de Middeleeuwen in Oost-Europa

In de 5e eeuw diende Alanen op hoge posten in het Oost-Romeinse, het Byzantijnse Rijk, zoals Ardabur en zijn zoon Aspar tussen 420 en 471. Dit waren Alaanse edelen die opgenomen waren in de aristocratie van het Rijk.

Het laatst vermeldde Alaanse regiment in het West Romeinse Rijk was dat te Ravenna in 487, negen jaar na de afzetting van de laatste West Romeinse keizer. Evenals de Sarmaten hadden de Alanen kleine kolonies in de Povlakte. Zij deden mee aan de verkiezing van de Oostgoot Odoaker tot Keizer en dienden later in zijn leger.

Het Kaukasische Alaanse rijk strekte zich in de zesde eeuw uit op de noordhellingen van de Kaukasus tot aan de Kaspische Zee. De Alanen waren toen sedentair geworden, er ontstaan versterkte dorpen en vijftal steden. De bevolking verdubbelt zich van de 6e tot de 9e eeuw. Ze waren in twee groepen verdeeld, de oostelijke en de westelijke, later werden er vier groepen onderscheiden.

Vanaf de 7 de eeuw is naast de naam Alanen ook Assen of Osses gebruikelijk, vooral in Oosterse bronnen. De bevolkingsopbouw wordt feodaal met een duidelijke adellijke klasse van grondbezitters, wier leiders het niveau van koningen bereiken met de titel van Aldar zoals die later ook in Hongarije ontstaat na de instroom van Alano-Magyaren. Bij de Byzantijns Perzische oorlogen in de 7e eeuw kozen zij partij voor de Persen. (40)

De Alanen op de Krim waren al, in navolging van de Romeinen, in de 4e eeuw christenen geworden. Bij de Assen of Osseten van de Kaukasus begon dit geleidelijk vanaf de 7e eeuw. De koning was toen christelijk, maar in de tiende eeuw was de bevolking nog het oude geloof toegedaan. Er was nog geen kerkelijke organisatie. Bij het noordelijk buurvolk de Khazaren was de elite joods geworden wegens de drukke handelscontacten met de Israëlieten. Er zijn aanwijzingen dat althans enkele Alanen tot het jodendom zijn overgegaan.

In de jaren 1032-34 streden de christelijke Alanen in een coalitie met het naburige Sarir, het latere Dagestan, tegen vijandelijke moslimvolkeren, de Khazaren in het Noorden en Arabieren in het zuiden. Het land was weer sterk geworden onder krachtige koningen die door huwelijken verwant waren aan de vorsten van naburige staten. Borena van Alanië, een zuster van koning Dorguleli, was gehuwd met Bagrat IV van Georgië. Hun dochter Maria van Alanië huwde achtereenvolgens de Byzantijnse keizers Michael VII (1071-78) en Nicephoros III (1078-81) en ging daarna het klooster in. De Alaanse prinses Irena van Alanië, nicht van Maria, huwde Isaak Komnenos, broer van Alexios Komnenos, keizer van Byzantium (1081-1118)

De Alanen vochten in 1071 met een eenheid van 600 man, met de Byzantijnen tegen de Turken en met 6000 man in 1074 tegen de Noormannen, maar dit laatste deden ze slechts korte tijd omdat ze niet betaald werden.

Aan het einde van de 12e eeuw begint het verval van het Alaanse Rijk. Het valt in delen uiteen want er worden meerdere koningen van Osses tegelijkertijd vermeld. Toch schitteren ze in 1154 tijdens gevechten in Italië nog in de strijd voor het Byzantijnse rijk. In 1185 veroveren voor het Rijk Thessaloniki op de Noormannen. en vechten ze met de Byzantijnse keizer Isaak II tegen Duitse keizer Barbarossa. Na de verwoesting van Constantinopel in 1204 door de kruisvaders en de verdrijving van het Keizerhuis, waaraan hun koningen door huwelijken waren verbonden, eindigt hun invloed. Deze wordt niet meer hersteld na de vestiging in Constantinopel van een nieuwe dynastie.

De banden met het Georgische koningshuis blijven bestaan. Bordoukan, dochter van koning Khoudan huwt de koning Geogius III, de Grote van Georgië (1156-85), een van de grootste Georgische koningen. Hun dochter Thamar (1184-1213) was een machtige koningin. Zij huwde in tweede huwelijk met de Alaanse prins David Soslan. Hoewel dit aanzienlijke huwelijken waren zet het verval in. In 1236 beschrijft een Hongaarse monnik een bijna anarchie in het land Zoveel dorpen, zoveel leiders, en niemand van hun staat onder een ander. Leiders vechten tegen leiders, dorpen tegen dorpen. De dorpelingen bewerken alleen gezamenlijk het land en allen zijn bewapend. Moorden is normaal. De vele koningen zijn machteloos..

Bij de inval van de Mongolen onder Gengis-Khan in 1222 werd hun land geplunderd door deze uit centraal Azië afkomstige moslim. Deze aanvallen herhaalden zich de volgende decennia en het land valt in vele delen uiteen. Steden worden verlaten en er ontstaat weer een gedeeltelijk nomadische samenleving. De laatste vermeldingen van de Kaukasische Alanen of Assen dateert van 1436. De Byzantijnse historicus Laonikos Chalcocondyles vermeld hun in 1463 nog steeds als christenen met een geheel eigen taal en hij roemt zeer hun krijgskunde en wapensmeden.

De volgende eeuwen leidt het land een onopgemerkt bestaan en het komt in de 18e eeuw onder het bestuur van de Russische Tsaren. Na de Russische revolutie van 1919 maakte het deel uit van de bergrepubliek van de Noord-kaukasus. In 1924 werd het de Noord Ossetische autonome Socialistische Sovjet Republiek. In 1990 wordt het land volledig autonoom met de naam Noord Ossetië-Alanië. De oude naam werd hiermee weer in ere hersteld, al is het voor de kenners wel wat dubbel op. (41)

Volgens een volkstelling was de bevolkingssamenstelling van Noord Ossetië-Alanië in 1992: etnische Ossetiers: 63%, Inguseten (buurland): 3%, Armeniers (Zuid Kaukasus) 2,5%, Russen 23%, overige bevolkingsgroepen minder dan 10%.

In deze eeuw kan de genetica gebruikt worden voor etnografisch onderzoek. Hiervoor is met name het Y chromosoom bruikbaar omdat het van vader op zoon overerft. In Noord Ossetië-Alanië blijkt bij 74 % van de bevolking de zeer zeldzame Y haplogroep G aanwezig. Van Russen is bekend dat deze zeldzame haplogroep daar nauwelijks voorkomt, slechts bij 1 %. De conclusie is dat deze unieke haplogroep bij nagenoeg alle etnische Osseten aanwezig is.

In Europa, waar deze haplogroep slechts bij 3 à 4 % van de mannen aanwezig is. wordt dit Y chromosoom vooral teruggevonden in alle gebieden waar Alanen en hun etnische verwanten, de Sarmaten, zich hebben gevestigd, waarmee vastgesteld kan worden dat deze door hen is verspreid. Uitgezonderd in Zuid Europa waar langs de kusten van de Middellandse Zee de verspreiding waarschijnlijk heeft plaats gevonden door de Phoeniciërs. Dit wordt verder uitgediept op de pagina archeogenetica.

Sarmaten c.q. Alanen als Gentiles, Foederati en Comites

Hoewel vaak gewag wordt gemaakt over onenigheden en schermutselingen tussen Romeinen en Sarmaten was er in de veel langer durende rustiger tijden steeds onderlinge handel en dienden Sarmaten, met name de Iazygen, eenmaal Argaraganten genoemd (41a), en de Alanen zowel die uit het Donaugebied als uit de Krim van 2e tot de 6e eeuw in verschillende hoedanigheden in de Romeinse legers in zowel het West- als het Oost-Romeinse Rijk, als Gentiles in kleine uitheemse militaire kolonies, als Foederati, bondgenoten, in stamverband en als Comites, in de hoge rangen rond de keizer bij zijn veldtochten.

Over de legering van Sarmaten in het Rijk is weinig geschreven. de Notitia Dignitatum opgesteld onder keizer Honorius (395-423) is nog de rijkste bron. Het is een summiere opsomming zonder gegevens over tijdstippen en herkomst. Hier worden de praefecturen van Comites Alani en Sarmati vermeld. Comitates waren troepen die na de legerhervorming van Diocletianus (284-305) onder leiding van een magister equitum de keizer begeleidden en vormden dus een mobiel leger. De Sarmaten hebben meest de status van gentiles wat een sterke juridische positie inhoudt gelijkwaardig aan dat van de laeti in Gallië, dit waren Romeinse burgers die uit Germaanse krijgsgevangenschap waren teruggekocht en vestingen kregen, vaak tezamen met toegelaten Germaanse asielzoekers. Het waren vrije mensen en degenen die dit nog niet hadden kregen door een in 405 aangenomen wet Romeins burgerrecht. Als tegenprestatie verbonden zij zich tot een vaak erfelijke militaire dienst onder eigen leiders en met eigen wapenen. (42)

Vestigingen Noord-Italie

Vestigingen van Sarmaten en Alanen in Noord-Italie. (42a)

Insignia Viri Illustris Magistri Equitum Taifali

De Notitia vermeldt vier en twintig prefecturen van Sarmaten, waarvan zeventien in Italië, zes in Gallië. Te Velay was een prefectuur van Sarmaten en Alanen en bij Poitiers van Sarmaten en Taifalen. In Engeland lag een prefectuur bij Ribchester (Lancashire). De lijst is onvolledig overgeleverd, de prefecturen in Germania secunda, net onze streek, ontbreken.

Links het embleem op het vaandel van de Sarmaten en Taifali.

Deze figuur wordt al 1500 jaar eerder gezien op aardewerk van de Tocharen uit het Tarim bekken in het vroegere Oost-Toerkestan, de huidige Chinese provincie Sinkiang getuige de tekening van prof. Mei Jianjun uit Beijing, de mogelijke voorouders van de Alanen.

De oorlogskreet of strijdkreet van de Sarmaten was Marha Marha. Onder het uitroepen van deze kreet gooide eens een Sarmaanse soldaat zijn laars in het gezicht van keizer Constantius, toen die in 335 een toespraak in Pannonië hield tot ontevreden Sarmatische krijgers. De keizer wist daarna niet meer of hij nog commandant was of een gewone voetknecht, en dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Hij vluchtte weg en geen lijfwacht kon verhinderen dat de keizerlijke zetel met het goudbestikte sierkussen door deze muiters werd buitgemaakt. Er volgde slechts een kleine strafexpeditie omdat de keizer met spoed naar Sirmium moest terugkeren. (43)

Het eerste grote contingent Sarmaten in het Romeinse Leger is dat van de cavaleristen gelegerd in Groot Brittannië vanaf het einde van de 2e eeuw. Hieronder is een groot aantal dat Marcus Aurelius in zijn verdrag geregeld had in 175. Van de 8000 ruiters werden er 5.500 naar Engeland gezonden in groepen van 500. Niet bekend is of dit als een tijdelijke detachering bedoeld en gebleven is. Zeker is dat vrouwen en kinderen meegingen en dat oude Sarmatische mythen en sagen tot op heden in Engeland voortleven.

De legendarische koning Arthur, in de oudste kronieken een Keltisch-Romeins legerleider genoemd en waarschijnlijk de Sarmatische prefect Lucius Artorius Castus, droeg in de volkssagen en overleveringen het magische zwaard Excalibur (gesmeed door een Kalyber ?) dat hij uit een rots had getrokken. De Sarmaten vereerden een in de grond gestoken zwaard. Bij zijn overlijden diende dit zwaard in het water gegooid te worden. Dit is een naar Britse bodem meegebracht verhaal over de Kaukasische held Batrax. Voorts voerde koning Arthur als standaard een draak, zoals een Sarmaat dat deed. Deze legenden leefden ook aan de overzijde van het Kanaal in Armorica in Bretagne en Normandië. (44)

Excalibur - Oorlogsgod van Sarmaten en Alanen

excalibur
Insignia Viri Illustris Magistri Equitum et Comes Alani

De legertekens van de uitheemse ruiters.
De Alanen midden tweede rij. (52)

Sarmaten droegen in het Romeinse leger hun eigen wapens. Ze waren goede smeden. De Kaukasus, waar de Alanen, een aan de Sarmaten verwante stam, van oudsher leefden, is een van de eerste regio's in de wereld waar de metallurgie zich ontwikkelde. Het is mogelijk dat zij de smeedkunst in Europa hebben geïntroduceerd althans daaraan minstens hebben bijgedragen.

Hun genen worden nu het meest gevonden in bergachtige streken die rijk aan metaalertsen zijn zoals in de Alpen en in Groot Brittannië in Ierland, Wales, Cornwall, en op het Iberisch schiereiland in Cantabria, Asturias en Galicië. Het zijn geisoleerde streken ver van de Kaukasus, maar wel plaatsen waar Alanen en Sarmaten in de Romeinse tijd zijn geweest, en dus naar het lijkt gebleven zijn.

Zij kwamen als militairen in de Romeinse legioenen of als indringers tijdens de Grote volksverhuizing, en zij bleven waarschijnlijk op uitnodiging van plaatselijke heersers.

Groepen Sarmato-Alanen werden als gefedereerden tegen 455 ten zuiden van de Donau geïnstalleerd, in Klein Scythië onder hun leider Candac.

Keizer Maiorinus 457-461 gebruikte Alaanse en Sarmatische hulptroepen bij gevechten tegen de Vandalen in Afrika en na de nederlaag werden zij in Gallië gedebarkeerd, waar ze dus wel gerecruteerd zullen zijn. Ze sloegen aan het plunderen vermoedelijk wegens uitblijvende betaling en drongen daarbij in 462 Noord Italië binnen onder koning Beorgor.

In centraal Europa bleven Sarmaten na de tijd van de Hunnen aanwezig in de Hongaarse laagvlakte. In 470 was hun laatst bekende inval onder hun leider Babaï toen ze de Donau weer overtrokken en Pannonia Secunda binnen vielen en Singidinum (Belgrado) veroverden.

De Oost Romeinse Keizer Leo I zond Theodoric, de latere West Romeinse keizer, op hen af die hen en verdreef Babaï doodde. In 568 volgden een aantal Sarmaten van de Donau de Lombarden en deden mee aan de verovering van Italië en vestigden zich daar in kleine kolonies in de Povlakte

In jeugd vervormde Sarmatische schedel

In jeugd vervormde Gothische schedel, 4e eeuw, Globasnitz (Oostenrijk) (25)

In graven in Wallis (Zw.) 5e eeuw, en Valence (Fr.) 4e eeuw, zijn schedels gevonden, zoals in de Oekraïne, met de voor steppenvolkeren zoals de Sarmaten kenmerkende schedeldeformatie, ontstaan door strakke bandage van de groeiende schedel van baby's. (28)

Waren de leiders der Franken Sarmaten ?

De Frankische Cugerni (Sicambren) woonden in het 1e kwart van de 5e eeuw in Colonia Ulpia Traiana (later Xanten genoemd), aan de Rijn boven Nijmegen. Zij waren, evenals de daar gelegerde Sarmaten, foederati van de Romeinen.

Childerik (c. 440-480), de eerste Frankische koning, kreeg als foederatus bij Doornik een groot gebied waar hij als koning over heerste. Zijn graf werd in 1652 ontdekt in de kerk van Saint Brice aldaar en het had behalve Germaanse ook sterk Sarmatische kentekenen. Hij was een zoon of althans een nakomeling van de half legendarische koning Merovech die nog leider was van een volk, maar nog niet van een land. Van Merovech verhaalt een sage dat hij de zoon is van een prinses en een zeemonster. Dit zou er op kunnen duiden dat het koningschap vererft is via de vrouwelijke lijn. Sommigen veronderstellen dat zijn vader een Sarmaat was.

In die tijd hadden de Sarmaten een belangrijke legerplaats te Fanum Martis (nu Famars). Toen het Romeinse Rijk verdween dienden Sarmatische legeronderdelen bij de Frankische en Bourgondische vorsten.

Als aandenken aan hun koning Lodewijk XVI doopten royalisten na zijn onthoofding hun handschoen in zijn bloed. Een zo'n handschoen bevindt zich al meer dan een eeuw in het Musée Carnavalet in Parijs. Onlangs is in het Y DNA van de bloedvlek het Alaanse G2a vastgesteld. De Capetingen stammen in mannelijke lijn uit de Robertingen. De stamvader van de Robertingen is Charibert van de Haspengouw (575-636). De Haspengouw is de streek tussen Maastricht, Luik, Hasselt en Tongeren. (45) (46)

*

VOLKSVERHUIZINGEN
De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus

De trektocht van de Alanen tijdens de Volksverhuizingen in de eerste eeuwen na Christus.
De westelijken richting Donau en Rijn, de oostelijken richting Krim en Kaukasus.

De Alanen die bij de inval van de Hunnen in 375 van de Romeinen in Pannonië asyl gekregen hadden werden enige decennia later door de Hunnen verder opgestuwd. Ze trokken langs de Donau naar de Rein en ontmoetten daar de eveneens door de Hunnen opgejaagde Vandalen, Burgondiërs en Sueben.

Omdat de Romeinse garnizoenen die de Reingrens moesten bewaken voor het grootste deel naar Italië waren teruggeroepen om de Gothen daar te weerstaan, en er alleen kleinere eenheden Frankische foederati lagen aan wie Stilicho de grensbewaking had opgedragen, kon deze massale groep ondanks fel verzet van deze Franken op 31 december 406 de Rein bij Mainz en Worms op meerdere plaatsen overtrekken en vallen zo het Romeinse Rijk onuitgenodigd binnen. Tegelijker tijd drongen ook de Bourgondiërs die aan de Midden-Main gevestigd waren en de Alemanen, Germania Prima binnen. (49a)

VERDELING IN TWEE GROEPEN

Hier splitsen zij zich in twee groepen. Een groep trekt onder koning Respendialis al plunderend Gallië binnen. De andere onder koning Goar stelt zich onder het gezag van de Romeinen.

Respendialis

De Alanen onder Respendialis trekken door naar Straatsburg, vervolgens door Noord-Gallië langs Reims, Amiens, Arras en Tournais (Doornik). Zij lieten, volgens sommige bronnen, een spoor van verwoestingen achter. Ze zwerven drie jaar door de Gallische provincie Germania Secunda, gelegen tussen Rijn en Noordzee en vertrekken in 409 naar Spanje, als hulptroepen voor de Romeinse generaal Gerontius, een vriend van Respendialis. Deze was in opstand gekomen tegen de Romeinse usurpator Constantijn III. Gerontius sneuvelt in 411 bij een veldslag te Arles ondanks de krachtige verdediging door zijn Alaanse vriend. In het machtsvacuüm dat nu in Spanje ontstaat kunnen de Alanen, Vandalen en Sueven het Iberisch schiereiland onderling verdelen en vestigen zij daar hun koninkrijken. Het Rijk van de Alanen reikte van de Atlantische Oceaan tot aan de Middellandse Zee.

In 418 worden de invallers door de Romeinse keizer Honorius met hulp van Gothische hulptroepen vernietigend verslagen. De overlevenden van de Alanen voegen zich bij de Asding-Vandalen die eerder door hen tijdens de inval in Gallië bij een aanval van de Franken van vernietiging waren gered. Onder de Vandaalse koning Geiseric (49) steken ze over naar Noord-Afrika waar in 428 het koninkrijk der Vandalen en Alanen wordt gesticht en Carthago in 439 hun hoofdstad wordt. Van hieruit veroveren ze Sardinië, Corsica en de Balearen en in 440 ook Sicilië. Ze bereiken het vasteland van Italië, Griekenland en alle Griekse eilanden. Het eiland Sicilië verliezen ze weer in het jaar 480. Het rijk houdt tot 534 stand en wordt dan in het Byzantijnse rijk ingelijfd. Hun vroegere, door de Goten overwonnen rijk, op het Iberische schiereiland leefde voort onder de naam Got-Alanië nu Catalonië genoemd. (50)

Goar

Goar stelt zich met zijn volgelingen direct na de inval in Gallië in 406 ter beschikking van de Romeinen en steunt in tegenstelling tot de vorige groep de Romeinse keizer. De macht van de keizer was echter zo zwak dat Goar, als koning van zijn Alanen, en Gundahar, koning van de Bourgondiers, de Romeinse generaal Iovinus tot tegenkeizer uitroepen. Ze doen dat in 411 te Mundiacum in Germania Secunda.

Waar Mundiacum lag is onzeker. Het meest komen hiervoor in aanmerking Müntz bij Gulik en Montzen, zetel van de meest noordelijk gelegen hoofdbank van het voormalige hertogdom Limburg (50c) , nu in België vlak onder de Nederlandse grens, 15 km ten zuiden van Vaals. Ook Montenaken nu Belgisch Vroenhoven bij Maastricht en Montenaken onder Sint Truiden worden genoemd, maar vallen af omdat zij vroeger Montiniacum heetten. Al deze plaatsen lagen aan de heerbaan van Keulen naar Boulogne sur mer, de zwaar bewaakte noordgrens van het Rijk.

De mening dat deze gebeurtenis in Mainz plaats vond is onjuist. Dit heette vroeger Moguntiacum en lag in Germania Prima. Hier waren de Bourgondiërs overigen later gelegerd en dit leidde tot deze ons inziens foutieve opvatting. (50a)

Uit deze tijd, de vijfde eeuw, stammen de gebeurtenissen die in meerdere heldenverhalen in de Edda en in de Nibelungen worden vermeld. Het heldenepos van de Nibelungen is eerst rond het jaar 1200 in Passau aan de Donau opgeschreven. Het verhaalt over de Nederlandse held Siegfried (Zegevrijt) van Xanten, die de slangendraak (Lintdraak) had overwonnen en door het bad in zijn bloed onkwetsbaar was geworden. De lintdraak lijkt een metafoor voor de drago, de vleugel- en pootloze draak die de Sarmaten als vaandel en veldteken voerden. Sarmaten waren toen aan de Rijn gelegerd. Hierna veroverde Siegfried het land en de schat van de Nibelungen aan de rand van zijn rijk te Xanten. Wat betreft Nibelungen denkt men aan Niviella het huidige Nijvel. Vervolgens trok naar hij naar het hof van Gundahar, koning van Bourgondië in Worms om diens zuster Kriemhilde te huwen. De vader van Gundahar was koning Dankwart en een invloedrijke oom heette Hagen van Tronje, wat veel overeenkomst vertoont met Troja, een andere naam voor het bij Xanten gelegen Castra Vetera.

De domeinbenamingen indiceren een herkomst van Bourgondiers en Nibelungen uit de regio van Xanten en Castra Vetera en een latere verplaatsing naar de Midden-Rijn. In de sage wordt Worms genoemd, waarschijnlijk doordat dit later een belangrijkere stad werd dan het eigenlijke Mainz.

Als deze hypothesen juist zijn zou het in 411 vermeldde Mundiacum bij Xanten gezocht moeten worden. Muntz bij Gulik is dan een erg waarschijnlijke kandidaat. (50b)

Germania secunda

De Romeinse provincie Germania Secunda

Goar en zijn volgelingen blijven het rijk steunen, ook wanneer Iovinus na twee jaar weer wordt afgezet en gedood. In 442 verzocht Fl. Aetius, de Romeinse opperbevelhebber in Gallië de Alaanse koning Goar, gezien het tijdsverloop waarschijnlijk een zoon van de vorige om naar Orléans te komen om de opstandige autochtone bevolking en ook de daar aanwezige West-Goten daar onder controle te houden. Goar vestigde toen zijn hoofdstad in Orleans en zijn volgelingen namen op nogal hardhandige wijze landgoederen in de steek tussen Orleans en Parijs in bezit. Veel plaatsnamen dragen daar nu namen van Alaanse herkomst.

Koning Sambida aanvaardde in 440 een vestiging bij Valence en in Bretagne kreeg koning Eochar van de bisschop van Auxerre in 447 eigen land. In een gebied rond het meer van Genève zijn zoveel plaatsnamen van Alaanse herkomst dat hier ook een Alaanse vestiging moet zijn geweest. Hier zijn ook graven met de typische, voor Sarmaten bekende, schedelvervorming gevonden.

Sangiban de opvolger van Goar vecht tezamen met de West-Goten en de Romeinse generaal Aetius in 451 op de Catalaunische velden bij het huidige Châlons tegen de Hun Attilla.

In de loop van deze eeuw worden de Alanen vaak genoemd bij gevechten in Gallia Cis- en Transalpina onder hun koning Saul die de Romeinse functie praefectus kreeg.

Daarna wordt naam Alanen niet meer gehoord. Het is duidelijk dat na de instorting van het Romeinse Rijk de Alanen, Bourgondiërs, West-Goten en resterende Hunnen tezamen met de aangekomen Franken en achtergebleven Romeinen in de autochtone bevolking van Gallische Kelten is opgegaan. De Franken en Bourgondiërs stichtten toen hun eigen rijken.

Een voorbeeld van deze assimilatie kan zijn dat na de verdwijning van de stamnaam Alanen deze als voornaam Alain weer verschijnt. Die naam wordt zelfs zeer populair. De naam Goar blijft ook bestaan. Na de kerstening van de Alanen, die ongeveer in dezelfde tijd als bij de Franken plaats vond, zien we in de zesde eeuw een bisschop en Sint Alanus en een Sint Goar. Een naamvariant daarvan is Eochar. Deze treedt soms bij één persoon afwisselend op. In het Ossetisch veranderde de naam tot Iæukhar.

Een andere Goar was in 627 in Aquitanië graaf van Albi en volgde in 630 Sint Arnulphus, de oudst bekende stamvader van de Karolingen, op als bisschop van Metz. Dit zou er op kunnen duiden dat de Karolingen oorspronkelijk Alanen waren.

Samatische en Alaanse vestingen in Noord Gallië

Samatische en Alaanse vestingen in Noord-Oost Gallië. (51)

Plaatsnamen in Frankrijk, en hier in de Ardennen, met namen als Alaincourt, Alland'huy Aillainville, Sampigny, Sermaise enz. herinneren aan Alaanse vestigingen in Gallië.

Fibulapaar van de schat van Airan.jpg

In Normandië in de Calvados werd te Airan in 1876 een aantal graven gevonden die dateren uit de 5e eeuw. Deze graven liggen dicht bij twee Romeinse legerplaatsen die deel uitmaken van de verdedigingslinie tegen Friese en Saksische barbaren. Het rijkste graf betreft een jonge vrouw met sieraden die deels van Germaanse, deels van Romeinse origine zijn en deels gelijk zijn aan grafvondsten uit die tijd van graven in de Bourgogne te Balleure, in Duitsland te Fürst en Altlußheim, in Oostenrijk te Untersiebenbrunn, in de Elsas bij Hochfelden, in Portugal te Beja, en aan vondsten van Alaanse sieraden in de Alaanse kurhan van Loutchistoïé op de Krim.

Dit graf is waarschijnlijk van de echtgenote van een Alaanse legercommandant. (53)

Een paar gouden Fibula's met polychrome stenen uit een vermoedelijk Alaans graf in Normandië. (54)

*

Sarmaten en Alanen aan de Noordgrens bij de Tungri

In de Notitia Dignitatum, een beschrijving van alle burgerlijke en militaire autoriteiten van het Romeinse Rijk rond 430, vinden we ook een beschrijving van onze streken. Hierin staat de Praefectus Laetorum Lagentium prope Tungros vermeld. Deze praefectuur lag waarschijnlijk in het oude bestuurscentrum Atuatuca, maar ook wellicht in een fort aan de Maasovergang, Mosae Traiectum, Maastricht. Dit was toen al een belangrijke handelsplaats op de kruising van de twee belangrijke handelswegen, de heerbaan van Keulen naar Boulogne sur Mer en de rivier de Maas.

Met de Romeinse veroveringen kwam ook hun landbouwkundige kennis en volgde een actieve kolonisatie. Dit was vooral een militaire noodzaak. Ter bescherming van de grenzen die steeds onder druk stonden moesten daar sterke militaire eenheden worden gestationeerd. Veteranen, maar ook te vriend te houden volkeren kregen er vestigingsplaatsen. Hierbij ontstonden bij de militaire steunpunten vaak ook steden. Colonia Agrippinensis, het huidige Keulen, en Regensburg zijn zo ontstaan en zeer waarschijnlijk is dat zo ook bij Maastricht het geval geweest. (56)

Op onderstaande kaart is het laatromeinse verdedigingsstelsel te zien aan de noordgrenzen van het Rijk. We zien veel kastelen. De paardenhoofden geven de legeringsplaatsen aan van de buitenlande geallieerden, meest Germanen. De meest noordelijk prefecturen liggen bij Tongeren en Famars, beide aan de heerban van Keulen naar Boulogne sur Mer. Bij Famars (Fanum Martis) waren Sarmaten gevestigd, Welke Sarmaten dit waren is niet bekend. De Alaanse koning Goar was in 406 Gallië op eigen initiatief binnen gevallen. Vijf jaar later had hij tezamen met een Bourgondische vorst de Romeinse patriciër Iovinus tot tegenkeizer uitgeroepen. Deze hield slechts twee jaar stand. In 413 werd hij door de keizer overwonnen en terechtgesteld. Er volgden toen acties tegen de buitenlanders. Er vielen wat doden. Mogelijk is de verplaatsing eind 413 van de Sarmaten die in (Castra vetera) bij het huidige Xanten lagen naar Fanum Martis, bij het huidige Famars hier een gevolg van.

Toen het Romeinse Rijk tegen het einde van deze eeuw implodeerde en het leger zich terugtrok naar Italië bleven deze uitheemse militairen die hier land gekregen hadden in ruil voor hun erfelijke militaire krijgsdienst in dit welvarende en vruchtbare gebied met hun gezinnen blijvend gevestigd, onder wie waarschijnlijk ook onze stamvader. Ook in Engeland gebeurde dit. Daar zijn ook archeologische resten gevonden, waaronder een grafmonument in Chester, Lancashire. (57)

De Romeinse verdedigingslinie aan de Noordgrens van de Moezel tot de Noordzee

Tilmann Bechert en Willem J.H.Willems, De laatromeinse verdedigingslinie aan de noordgrens van het Romeinse Rijk.
Kaart getekend door W. Willems 55).

Het is een millennium later dat onze eerste bij naam bekende voorvader, Johan Moreez, in 1407 wordt vermeld als burger van Maastricht en landeigenaar zowel bij deze stad als ook te Sichen tussen Maastricht en Tongeren in het land van Luik.

Voor het schijven van dit artikel werden een aantal recente en klassieke werken bestudeerd. (58)

*

Archeogenetica

Met behulp van genetisch genealogisch onderzoek tracht men een beeld te krijgen van de voorgeschiedenis van de bevolking in de verschillende landen. Het Y-chromosoom onderzoek maakt hier deel van uit. De Sarmaten zijn historisch gezien niet als een duidelijk omschreven groep bij elkaar gebleven. Van de Alanen wordt verondersteld dat een deel van hen zich in het begin van de huidige jaartelling in het Kaukasusgebergte heeft teruggetrokken. De republiek Noord-Ossetië zou hun bakermat zijn. De leiders van deze republiek zijn er op grond van historisch onderzoek in de tweede helft van de vorige eeuw toe overgegaan dit in de naam van hun land te vermelden en noemden hun land toen Noord-Ossetië-Alanië.

Het was enige decennia later dat bleek dat de overgrote meerderheid van hun bevolking een zeer bijzondere Y-chromosoom haplogroep had, G2a1. Deze komt in de omringende landen in aanzienlijk lagere percentage voor en elders in de wereld slechts zeer sporadisch. De genetische herkomst hiervan is G2a en ook deze groep is relatief zeldzaam. We zien deze in de Westen bij niet meer dan 2 à 4 % van de bevolkingen. Ook in Nederland komt dit percentage voor. In het Oosten is hij nog zeldzamer. Dit wijst er op dat G2a1 de subgroep was voor althans een deel van de Alanen.

De Alanen worden gezien als een volk dat verwant is aan de grotere groep van de Sarmaten. Deze worden gezien als een verzameling nauw verwante volkeren van de steppen van Zuid-Rusland en niet verwant aan de daar wonende Scythen.

Tot op heden is er geen DNA bekend van een man waarvan onomstotelijk vast staat dat hij een Sarmaat was, maar gezien hun verwantschap met de Alanen menen we van de hypothese uit te mogen gaan dat bij de Sarmaten G2a de dominante Y-haplogroep was en de verschillende subgroepen hiervan behoorden bij de verschillende stammen. Bewijzen hiervoor zijn niet voorhanden, maar overtuigend bewijs van het tegendeel is mij ook niet nog bekend.

De verdeling van met name G2a2b over de wereld is in ieder geval niet in tegenspraak met de plaatsen waar de Sarmaten het meest actief zijn geweest. Dit wordt besproken op de pagina GENETICA.

Het De Y-DNA van de familie Marres / Mares wordt aan de hand van genetisch genealogisch onderzoek besproken op de pagina Familie DNA. De voorlopige resultaten maken een herkomst uit het volk van de Sarmaten verdedigbaar maar zeker niet bewezen. Het is wachten op archeologische vondsten en uitdieping van het Y-DNA gegevensbestand.


HOME

Familie DNA

GENETICA